literatuurgeschiedenis.nl | de negentiende eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Herman Heijermans
Rotterdam 1864 - Zandvoort 1924

Van de begrafenis van Herman Heijermans in 1924 is een filmje bewaard gebleven. Het was er zo druk alsof er een popster begraven werd. Langs de weg van Zandvoort naar Amsterdam, waar de koets met de doodskist reed, stonden de mensen rijendik. Heijermans was bij zijn dood een nationale beroemdheid. Ook in het buitenland, met name in Duitsland had hij triomfen gevierd. Dat was in het begin van zijn carrière wel anders.

Herman Heijermans stamde uit een liberaal joods gezin met elf kinderen in Rotterdam. Zijn vader was journalist bij de Nieuwe Rotterdamsche Courant en Het Zondagsblad. Er was in het gezin veel belangstelling voor cultuur. Toch moest Herman na zijn hbs-tijd gaan werken als kantoorbediende, hoewel hij liever in de journalistiek gegaan was. Eerst werkte hij voor banken, daarna kreeg hij een zelfstandige positie in de lompen- en metalenhandel. Daarvoor deugde hij niet. Zijn vader wist een faillissement te voorkomen, maar de rijke verloofde die hij inmiddels op de kop getikt had, vond dit voldoende reden om met hem te breken.

Heijermans begon schetsjes te schrijven, die zijn vader in Het Zondagsblad publiceerde. In 1892 besloot hij beroepsschrijver te worden en verhuisde naar Amsterdam. Daar werd hij toneelcriticus bij De Telegraaf en hij maakte meteen vijanden door zijn felle kritiek op het erbarmelijke Nederlandse toneel. In De Gids verscheen zijn eerste novelle `'n Jodenstreek?’ (1892). Onder het pseudoniem Falkland begon Heijermans in 1894 met columns, eerst in De Telegraaf, later in het Algemeen Handelsblad. Het zijn humoristische, nog steeds zeer leesbare commentaren op het dagelijks leven. Ze werden in 19 bundels, onder de titel Schetsen, verzameld uitgegeven.

Wie kritiek heeft op het toneel, zal het zelf wellicht beter willen doen. Heijermans begon inderdaad zelf te schrijven. Zijn toneelstukken sluiten aan bij de stroming van het naturalisme. Dora Kremer (1893), zijn debuut, gaat over de positie van de vrouw die geen kant opkan in het negentiende-eeuwse huwelijk. De collega-critici kraakten het stuk, zeker ook uit wraak over Heijermans’ scherpe veroordelingen. Heijermans was gekwetst. Zijn volgende stuk bracht hij uit alsof het door een buitenlander geschreven was, onder het pseudoniem Ivan Jelakowitsch. Onderwerp is de jodenvervolging in Rusland, die toen actueel was. De auteur, zelf een vervolgde Russische jood, zou kort voor de première overleden zijn. Ahasverus verscheen in 1894 en het was wel een succes. Daarop deed Heijermans in De Telegraaf uit de doeken hoe de vork werkelijk in de steel zat, en hij beschuldigde de toneelkritiek en het publiek ervan alleen op het buitenland gericht te zijn. Het stuk werd ook in Parijs opgevoerd. Heijermans ontdekte daar de nieuwe kunststroming van het symbolisme, waarvan hij ook onder de indruk raakte. Een tijd lang aarzelde hij tussen naturalisme en symbolisme, tot het socialisme voor hem de uitkomst bracht. Dit verenigde zijn behoefte om kritiek op de rauwe werkelijkheid uit te oefenen en tegelijk bood het uitzicht op een betere, ideëlere samenleving. Hij ging in de Amsterdamse Pijp wonen, en werd in 1895 lid van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP). Hij ontmoette het beeldschone hoertje Maria Peers, die al twee kinderen had. Ze was analfabeet en kwam uit een familie van circusartiesten. Heijermans ging met haar samenwonen, tegen de publieke moraal in. Enige jaren later trouwde hij met haar omdat er anders gevangenschap voor hem dreigde. Over deze episode gaat zijn roman Kamertjeszonde (1897). Heijermans kon er eerst geen uitgever voor vinden, tot hij het bij een pornografisch bedrijf onder het pseudoniem Koos Habbema onder kon brengen.

In 1897 richtte Heijermans een eigen tijdschrift op, De Jonge Gids. De meeste bijdragen schreef hij zelf, onder verschillende pseudoniemen. Met De Jonge Gids richtte hij zich tegen De Nieuwe Gids. Hij kon het met de Tachtigers, hun maatschappelijk isolement en hun woordkunst niet vinden. Hij noemde hen `de onanisten van het gevoel’.

Heijermans ging een contract aan met De Nederlandsche Tooneelvereeniging, en vanaf 1898 werd er vrijwel elk jaar in Amsterdam een nieuw stuk van hem op de planken gebracht. Meestal zijn het stukken met heftige maatschappijkritiek. Hij schreef tegen godsdienstige bekrompenheid, tegen de uitbuiting van arbeiders, mijnbouwers, scheepslieden, tegen de burgermansmoraal. Sommige stukken veroorzaakten schandaal, zoals Allerzielen (1904), dat kwetsend zou zijn voor katholieken. Heijermans’ bekendste stukken zijn Op hoop van zegen (1900), Eva Bonheur (1917) en De wijze kater (1918).

Zijn stukken werden beroemd, ook in het buitenland, maar omdat Nederland niet aangesloten was bij de Berner Conventie, waar auteursrechten geregeld waren, kreeg hij er geen geld voor. Dus verhuisde hij naar Berlijn in 1907, waar hij een luxueus leven leidde, dat hem weer bijna tot faillissement bracht. In 1912 keerde hij terug, en nam weer de leiding in het Nederlands toneel.

Op 22 november 1924 overleed hij aan kanker in zijn Zandvoortse huis. Drie dagen later was zijn begrafenis, georganiseerd door de SDAP, in Amsterdam. Hij was onder de socialisten geliefd om zijn roman Diamantstad (1904), die ging over de armoede in de Jodenbuurt en om zijn politiek toneel. Ze herkenden zijn emotioneel socialisme, dat anders was dan het theoretische van veel andere socialistische schrijvers.

Verder lezen
Portret van Herman Heijermans. .
Regieboek van de eerste uitvoering van Op hoop van zegen, met een schets van het toneelbeeld.