literatuurgeschiedenis.nl | de negentiende eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Willem Kloos
Amsterdam 1859 - Den Haag 1938

De naam Willem Kloos is een begrip in de Nederlandse literatuur, en toch heeft de Amsterdamse kleermakerszoon als dichter vrij weinig betekend. Zijn grote faam heeft hij te danken aan zijn optreden als gangmaker van de groep kunstenaars die bekend staan als de Tachtigers.

Kloos’ moeder overleed toen Willem een jaar oud was, en zo kwam er een stiefmoeder in zijn leven. Kloos volgde de hbs, een nieuw modern schooltype in zijn tijd, maar om naar de universiteit te kunnen moest hij aanvullende lessen Latijn en Grieks volgen. Hij ging in 1879 klassieke talen studeren aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schijnt in de Kalverstraat de jonge Jacques Perk ontmoet te hebben, die zich aan hem voorstelde als dichter.

Zijn eerste publicatie was een recensie van een werk van Marcellus Emants, opgenomen in De Nederlandsche Spectator (1879). Als dichter debuteerde hij met `Rhodopis’ in het tijdschrift Nederland (1880). In Amsterdam werd hij weldra een bekend figuur onder de artiesten. Hij richtte met anderen het genootschap Flanor op, waarin schrijvers en schilders samenkwamen om te discussiëren, na voordrachten die konden gaan over Wagner, de klassieken, de moderne Franse literatuur, etcetera.

De vroege dood van Jacques Perk betekende een ommekeer en bewustwording voor het dichterschap van Kloos. Hoewel Perk en hij slechts makkers waren, en geen intieme vrienden, slaagde hij erin de dichterlijke nalatenschap naar zich toe te trekken. Hij bezocht de droevige vader meteen, hij schreef een mooi `In memoriam’ waarin hij Perk als een voorloper van een nieuwe generatie dichters kenschetste. Vader Perk gaf hem toestemming om samen met de oudere Carel Vosmaer een uitgave te maken van de gedichten van Perk (1882), van wie nog geen bundel verschenen was. Kloos deed er het meeste aan: hij koos en bewerkte de gedichten zo, dat er inderdaad de nadruk lag op een fris en nieuw dichterschap. Daarnaast schreef hij de voorrede die nog steeds indrukwekkend is, omdat hij een pleidooi houdt voor een nieuw, buitenmaatschappelijk dichterschap. Daarin zijn veelgeciteerde zin `De poëzie is geen zachtoogige maagd, die, ons de hand reikend op de levensbaan, met een glimlach leert bloemen tot een tuiltje te binden’. De voorrede van Kloos zal later beschouwd worden als het poëtisch manifest van Tachtig.

In 1885 had Kloos voldoende geestverwanten om zich heen verzameld om met De Nieuwe Gids te kunnen beginnen. In de naamgeving zit al aangegeven wat men wil: de oude tijdschriften hebben afgedaan, het is tijd voor een nieuwe leider. Kloos was de secretaris en degene die het geld voor de oprichting bij elkaar gepraat had. Vanaf het derde nummer publiceerde Kloos in het nieuwe tijdschrift zijn Literaire kroniek, waarin hij de verzen van Gorter zal bejubelen, en af zal geven op dichters als Nicolaas Beets. Ook verschijnen er sonnetten van hem. Klankexpressie en beeldspraak zijn heel belangrijk voor hem en deze beide dienen uniek te zijn voor elke dichter.

Om de critici te misleiden stelden Kloos en zijn vriend Albert Verwey onder het pseudoniem Guido een bundel met mierzoete modeversjes samen, Julia. Een verhaal van Sicilië (1885). De kritiek trapte erin en beoordeelde de bundel gunstig. Daarop maakten Kloos en Verwey zich bekend in hun brochure De onbevoegdheid der Hollandsche literaire kritiek. Zij waren dus de dichters die de critici eerder hadden aangewezen als slechte dichters.

Kloos leefde nogal uitbundig. Hij was waarschijnlijk biseksueel, want soms trok hij meer naar mannen, soms meer naar vrouwen, maar altijd in het extreme. In 1888 raakt hij aan de drank omdat zijn goede vriend Albert Verwey zich verloofd had. Hij schreef daarop de dramatische sonnettenreeks Het boek van Kind en God, waarin hij zich beklaagde over het trouweloze kind (Verwey) dat de God (Kloos) verlaten had. Vanaf die tijd ging het op en neer met de psychische gesteldheid van Kloos. Zijn vrienden waren voortdurend in de weer om hem te redden van de alcohol of de depressie. Hij had ook slechte vrienden, zoals Pet Tideman en Hein Boeken, die met hem een bohemienleven leidden.

De Nieuwe Gids leed onder het gedrag van Kloos. In 1893 was er een conflict omdat de redactie Gorter wilde vragen toe te treden, maar Kloos voelde daar niet voor. Het volgende nummer verscheen onder Kloos’ naam alleen. Kloos publiceerde daarna zijn beruchte scheldsonnetten, waarin hij al zijn vrienden vuil maakte. Het tijdschrift ging ten onder, tot het in 1895 weer in een nieuwe reeks van start ging, nu weer met een uitgebreidere redactie.

Toch slaagde Kloos er in 1894 in zijn eerste bundel poëzie uit te geven, onder de titel Verzen. Hierin staan zijn bekendste verzen uit De Nieuwe Gids bijeen. Maar in het persoonlijk leven ging het achteruit. De schilder Willem Witsen en de schrijver-psychiater Frederik van Eeden bekommerden zich om hem. Hij kwam tijdelijk in psychiatrische klinieken terecht, die hij ontvluchtte. In 1895 deed hij een poging tot zelfmoord. Opnieuw werd hij opgenomen. Over deze periode schreef hij de gedichten ‘Infernale impressies’.

Een verbetering kwam er onder de straffe leiding van Van Eeden. Tegen het einde van de eeuw ontmoette Kloos de schrijfster Jeanne Reyneke van Stuwe, met wie hij in 1900 trouwde. Daarna kwam er kalmte in zijn leven. Hij bleef De Nieuwe Gids leiden, schreef er de ene na de andere beschouwing voor, maar met zijn dichterschap was het afgelopen. Zijn studies werden gebundeld onder de titel Letterkundige inzichten en vergezichten (23 delen) en hij schreef vijf delen Nieuwere literatuurgeschiedenis. Hij kreeg eerbewijzen, zoals een eredoctoraat aan de Universiteit van Amsterdam en een ridderorde.

Verder lezen
Portret van Willem Kloos, door Willem Witsen. (Collectie Prentenkabinet/Studie en Documentatie Centrum voor Fotografie (SDCF), Universiteit Leiden, inv.nr. E.191 ) .
Willem Kloos en zijn echtgenote Jeanne Kloos-Reyneke van Stuwe in 1912. Foto: A.M.A. Susan & Co. .
In 1888 verkeerde Kloos in een diepe crisis. Vanuit het café Die Port van Cleve stuurde hij een briefje aan zijn jonge vriend Albert Verwey.
Lodewijk van Deyssel (l.) en Willem Kloos feliciteren elkaar met hun beider bevordering tot doctor honoris causa in de letteren en wijsbegeerte door de Universiteit van Amsterdam, 27 mei 1935.