literatuurgeschiedenis.nl | de negentiende eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Lodewijk van Deyssel (Karel Johan Lodewijk Alberdingk Thijm)
Hilversum 1864 - Haarlem 1952

Lodewijk van Deyssel was pas zeventien toen hij zijn eerste artikel publiceerde. Hij wist daarmee meteen al veel reacties uit te lokken. Hij kon al zo vroeg publiceren omdat zijn vader Josephus Alberdingk Thijm een eigen tijdschrift had, Dietsche warande. De jonge Lodewijk nam het in zijn artikel op voor Franse schrijvers als Victor Hugo. Dat viel niet goed in het katholieke blad van zijn vader. Veel van de lezers beschouwden deze Franse schrijvers als immoreel en reageerden fel op het artikel.

Het artikel verscheen in 1881. Dat jaartal is van belang: rond 1880 debuteerden er allerlei jonge schrijvers die de Nederlandse literatuur radicaal wilden veranderen. We kennen ze onder de naam ‘de Tachtigers’. Van Deyssel raakte al snel nauw betrokken bij deze kring van Tachtigers. Hij leerde de dichter Willem Kloos kennen. Ook ging hij schrijven voor het tijdschrift waarin de Tachtigers hun nieuwe denkbeelden naar voren brachten: De Nieuwe Gids. Daarin schreven ook mensen als Frederik van Eeden en Albert Verwey.

De strijdbaarheid die al uit zijn debuutartikel sprak, zou hem ook in de jaren daarna nog regelmatig tot een spraakmakende figuur maken. Van Deyssel had in 1883 helemaal gebroken met het katholieke geloof. De rest van zijn leven spande hij zich in voor de kunst. Hij deed dat als criticus, essayist en romancier. Op alledrie de terreinen heeft hij een geheel eigen inbreng gehad.

Als criticus heeft hij de ‘scheldkritiek’ uitgevonden. Als hij een boek besprak, wilde hij niet zo objectief mogelijk vertellen wat er in dat boek gebeurde. Integendeel: zijn hoogstpersoonlijke afkeer, verveling of enthousiasme stonden voorop. Zo schreef hij dus over een roman:

Ik heb geen lust om in de stoffige taart van deerniswekkend proza te happen, waartoe de heer De Chateleux zijn stinkend bittere en vunzig zure gedachte-vruchten en het giftige meel van zijn ploerten-stijl heeft samengeknoeid.

Als essayist zocht hij vooral naar nieuwe manieren om over de functie van kunst na te denken. Hij was er stellig van overtuigd dat de negentiende-eeuwse ideeën over schoonheid niet meer voldeden.

Veel moeilijker vond hij het om te bepalen wat er voor het oude in de plaats moest komen. Van Deyssel begon als vurig pleitbezorger van de naturalistische roman. De bekendste naturalist was Émile Zola. Deze schreef bijvoorbeeld de roman Germinal (De Mijn). In dat boek werd zeer onverbloemd het harde en uitzichtloze leven van de mijnwerkers geschilderd. Van Deyssel bewonderde Zola, omdat zijn proza niet ‘slap’ of ‘deerniswekkend’ was, maar choquerend. Het greep de lezer bij de strot en dat was precies waar Van Deyssel naar op zoek was in de literatuur.

Later stapte hij van het naturalisme af en zocht inspiratie bij het ‘symbolistisch mysticisme’. Deze artistieke stroming stond ver af van het naturalisme. De symbolistische kunstenaar zocht naar een hogere eenheid ‘achter’ of ‘boven’ de zichtbare realiteit. Deze kunst probeerde dus juist de harde werkelijkheid te overstijgen door te laten zien hoe het is als een mens opgaat in één groot moment van extase. Dit moment van extase was alleen te beschrijven door een opeenstapeling van woorden en beelden. Alle indrukken, kleuren en gevoelens werden tegelijkertijd ervaren en moesten dus als gelijktijdig getoond worden. Zijn overgang beschreef Van Deyssel in 1895 in het artikel Van Zola tot Maeterlinck.

Als romancier werd hij vooral bekend om zijn roman Een liefde uit 1887. Ook dat boek wist veel stof te doen opwaaien, omdat er vrij expliciet werd geschreven over seksualiteit. Zelfs bevriende collega-schrijvers uit de kring rond het tijdschrift De Nieuwe Gids hadden moeite met het boek.

Van Deyssels persoonlijk leven was veel minder opzienbarend dan zijn publicaties. Eigenlijk heeft hij zich zijn hele leven aan de letteren gewijd. Hij reisde niet veel en had geen ander werk. Na zijn huwelijk met Catharina Horyaans in 1887 leidde hij een teruggetrokken leven. Bovendien had hij geen sterk zenuwgestel. Af en toe moest hij zich helemaal terugtrekken uit het dagelijks leven.

Als schrijver en criticus had hij lange tijd grote invloed. Maar aan het einde van zijn leven nam die nam langzaam af. Vooral de generatie van Forum richtte zich tegen de overdreven cultus van het woord, die hij mede had veroorzaakt.

Verder lezen
Lodewijk van Deyssel in zijn werkkamer, Van Eedenstraat 14 te Haarlem, kort voor zijn vijfentachtigste verjaardag in 1949. Foto: Paul Huf. .
Drukproef van een pagina uit Over literatuur uit 1886, met handgeschreven correcties van Lodewijk van Deyssel.
Lodewijk van Deyssel (l.) en Willem Kloos feliciteren elkaar met hun beider bevordering tot doctor honoris causa in de letteren en wijsbegeerte door de Universiteit van Amsterdam, 27 mei 1935.