literatuurgeschiedenis.nl | de negentiende eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    

Rond 1840 is er een hernieuwde aandacht voor de realiteit. Er wordt wel gezegd dat dit te maken heeft met de uitvinding van de fotografie. In elk geval is de hype van de Romantiek dan voorbij. Verschillende auteurs die voorheen historische dichtverhalen of romantische poëzie schreven, nemen daar dan afstand van en schrijven realistische boeken over het leven van alledag.

Terug naar de realiteit
Waarom zou je over spookverschijningen, geesten of helden uit het verleden willen lezen? Heeft de eigen tijd niet voldoende te bieden? Kijk naar het dagelijks leven: er is genoeg te huiveren. Moord, ziekte, verval zijn gewoon, en niet de verschijnselen van iets bovennatuurlijks.

Het verhaal gaat dat eind van de jaren dertig vier vrienden uit de Leidse romantische kring een weddenschap met elkaar afsloten. Nicolaas Beets, Johannes Hasebroek, Bernard Gewin en Jan Kneppelhout waren onder de indruk gekomen van Charles Dickens. Zij wilden afstappen van de Romantiek en realistische schetsen van het dagelijks leven gaan schrijven. De weddenschap zou gewonnen worden door degene die het eerst een dergelijke bundel af had.

Beets won de wedstrijd. Hij publiceerde in 1839 de eerste druk van de Camera Obscura onder het pseudoniem Hildebrand. Beets liet in zijn verhalenbundel de Hollandse burgerlijkheid in al haar bekrompenheid zien. De nieuwe rijken, de oude adel, de traditionele burgers met angst voor vernieuwingen, niemand kwam er goed af, behalve een enkele jonge idealist of een weerloos meisje. In een voorwoord schreef hij dat hij `de Hollandse taal haar zondagse jasje’ had uitgetrokken, want hij probeerde natuurlijker te schrijven dan vóór hem gebruikelijk was. De Camera Obscura werd zeer populair en is nog steeds een van de meest leesbare boeken van de negentiende eeuw.

Een andere deelnemer aan de weddenschap was Jan Kneppelhout met zijn Studenten-typen (1841) onder het pseudoniem Klikspaan. Kneppelhout was de eerste in Nederland die het in Frankrijk populaire genre van de fysiologie beoefende. In een fysiologie vind je een beschrijving van alle typen mensen binnen een bepaalde groep of streek. Kneppelhout gaf een beschrijving van de typen studenten die er aan de Leidse universiteit voorkwamen. Daarbij spaarde hij noch de studenten, noch de hoogleraren. Zijn studententypen zijn voor een deel nog herkenbaar. Bijvoorbeeld de student-auteur, die eigenlijk helemaal niet wil studeren, maar schrijver wil worden en de universiteit maar voor lief neemt. Ook de `aflegger’ komt nog steeds voor: dat is de student die zich mee laat slepen door de vrijheid die hij opeens krijgt nadat hij 18 jaar beknot is door zijn ouders, die van het café in het koffiehuis rolt, studeren steeds uitstelt, geld leent omdat hij teveel rondjes geeft, en uiteindelijk zijn studie moet stoppen, omdat hij die niet genoeg bijgehouden heeft.

Het leven van alledag wordt rond 1840 belangrijk in de literatuur. Niet langer staan grootse historische taferelen in de belangstelling, maar eerder kleine, alledaagse voorvallen. De beschreven wereld verkleint zich. De tijd die een roman of verhaal omvat wordt korter en de plaatsen waar het verhaal zich afspeelt krimpen in tot één stad of één dorp. De hoofdpersonen zijn niet meer van adel, maar komen nu uit de gewone burgerij. De beschrijving van de realiteit is wel `idealistisch’. Dat wil zeggen dat de lelijke kanten van de werkelijkheid wel getoond worden, maar altijd met de bedoeling daar een beter leven tegenover te stellen. Dronkenschap bijvoorbeeld wordt wel plastisch beschreven, maar het loopt slecht af met de zuiper.

In het Nederlands realisme kan men twee perioden onderscheiden. De eerste is die van de bekeerde romantici. Daarbij horen Kneppelhout en Beets. Ook Everhardus Potgieter dweepte in zijn jeugd met de Romantiek, en stapte over op realistische novellen. Van Potgieter stamt de term waarmee het realisme in Nederland bekend werd: `de kopyeerlust des dagelijkschen levens’.

Rond 1850 kwamen er nieuwe realisten op. Enkele van de realisten waren van beroep stenograaf, bijvoorbeeld Gerard Keller. Hun technisch vermogen om snel dialogen op te tekenen gebruikten ze in hun novellen.

Jacob Jan Cremer is de voornaamste Nederlandse realist van de tweede groep. Cremer wilde eigenlijk landschapsschilder worden. Zijn tochten door de Betuwe brachten hem in contact met de boerenbevolking. Hij begon verhalen die hij er hoorde op te schrijven, in het Betuws dialect. Zijn Betuwsche novellen werden immens populair. In zijn grote romans sneed hij thema’s aan die men weinig bij andere schrijvers uit die tijd tegenkomt. Hij schreef over stakingen, over een ongehuwde moeder die haar baby vermoordt, over de losse zeden van toneelspelers, over de uitsluiting van joden. Cremer wist politieke aandacht te trekken met zijn novelle Fabriekskinderen (1863). Hij schetste daarin het lot van verpauperde kinderen in de Leidse textielindustrie. Zijn `bede, maar niet om geld’ bracht grote publieke verontwaardiging op gang. Leidse fabrikanten boden de regering een petitie aan waarin ze vroegen om centrale landelijke maatregelen tegen de kinderarbeid.

Cremer gebruikte de romantechniek om de lezer naar de gruwelijke werkelijkheid toe te slepen. Hij sprak de lezer aan en confronteerde hem met de walgelijke maatschappij, die zulke wantoestanden toeliet. Hij riep de lezer op tot daden. Hij trok hem mee de fabriek in waar kinderen staan, even oud als die van de lezer, maar een kop kleiner:

Een hoofd, een gans hoofd is zij kleiner dan uw dochtertje, dat in dit uur gezond, ja met rozen op de wangen op het zachte kussen te dromen ligt en zo oud is als zij. Gij schrikt terug bij het beschouwen van dat voos en flets gezichtje met die wijde mond en die onnatuurlijk glinsterende oogjes.

Cremer toonde hoe lelijk de fabriekskinderen waren en ging de realiteit dus niet uit de weg. Hij toonde de lelijke kant om de toeschouwers die kinderarbeid gedoogden te beschamen.

Een andere schrijver van realistische novellen was François HaverSchmidt, ook wel bekend als de dichter Piet Paaltjens. In Familie en kennissen gebruikte hij het kinderperspectief om de lelijke wereld van de volwassenen te laten zien. Zo beschreef het kind zijn oude, verzuurde tante:

Tante Mientje was akelig mager, wat te meer in het oog viel omdat zij zoo lang was. Vroeger moet zij heel mooi zijn geweest, zooals ik tante Bet zelve heb hooren toegeven. Maar nu kon men dat niet goed meer zien. Want de neus van tante Mientje en haar kin (waarop genoeg haar groeide om een jong tweede luitenantje jaloersch te maken, maar het was grijs haar), die neus en die kin bogen scherp naar elkaar toe als twee kreeftenscharen, en de lippen daar tusschenin zaten op elkaar gedrukt alsof er een breekijzer noodig zou zijn om ze open te krijgen. Doch dat was zoo niet. Ze gingen dadelijk vanzelf open, zoodra er maar een zoetigheid vóór of een bitterheid achter kwam.

Ook in Vlaanderen begon het realisme bij afvallige romantici. Hendrik Conscience schreef eerst historische romans en dweepte met Victor Hugo. Zijn verhaal Wat een moeder lijden kan uit 1841 betekende in Vlaanderen de doorbraak van het realisme. Onderwerp is het armoedige getob van een arbeidersgezin. Later schreef Conscience sombere dorpsverhalen. De gezusters Rosalie en Virginie Loveling schreven samen Novellen (1874) over het Vlaamse platteland. Rosalie stierf jong, en Virginie ging tot in de twintigste eeuw door met romans over het Vlaamse leven.

Verder lezen
Omslag van een goedkope uitgave van Cremer’s Novellen en Vertellingen, met afbeeldingen van scènes uit het dagelijks leven.
Titelpagina van de vijfde druk van de Camera Obscura. Op de tafel staat een `camera obscura’ (een kijkdoos die de werkelijkheid verkleind weergeeft) en de figuur links lijkt op Nicolaas Beets.