literatuurgeschiedenis.nl | de negentiende eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    

De pretenties waren huizenhoog. Literatuur kon net als wetenschap wetten opstellen en voorspellingen doen. Een roman kon opgezet worden als een experiment, zoals in een laboratorium. De proefpersonen waren de romanfiguren die onderworpen werden aan psychologische proefnemingen. Vanuit Frankrijk was de stroming van het naturalisme naar Nederland gekomen. Emile Zola en de gebroeders De Goncourt waren de schrijvers die daar de dienst uitmaakten. In Nederland nam Frans Netscher de boodschap over, weldra gevolgd door Lodewijk van Deyssel, Frederik van Eeden en Louis Couperus.

Literatuur als wetenschap
Kan literatuur hetzelfde als wetenschap? Er waren schrijvers die dachten dat literatuur ook een experiment was, te vergelijken met een wetenschappelijke proef in de psychologie.

De criticus en leraar Nederlands van het Haags gymnasium Jan ten Brink las in 1875 een roman, die hem zo aangreep dat hij meteen naar de Sociëteit De Witte snelde en eruit begon voor te lezen. Dit was volgens hem de literatuur die de toekomst had. De jonge leden hingen aan zijn lippen. De roman waaruit hij voorlas was van de Franse schrijver Emile Zola, en het ging om La fortune des Rougon. Het boek speelt in de eigen tijd en gaat over een Franse familie die zich probeert omhoog te werken en daarbij list noch bedrog schuwt. Ten Brink was om. Voor die tijd had hij wel over het naturalisme in Frankrijk geschreven, maar steeds gereserveerd. Nu begon hij een reeks artikelen over de nieuwe stroming in het invloedrijke tijdschrift Nederland en maakte daarmee de Nederlanders bekend met Zola en de gebroeders De Goncourt. Onder de jonge schrijvers ontstond een ware Zola-cultus.

Het naturalisme is een literaire stroming die rond 1870 in Frankrijk is ontstaan. De natuurwetenschappen waren steeds beter in staat gebleken wetten op te stellen en voorspellingen te doen. De methoden werden ook op de menswetenschappen toegepast. Een mens, zo beweerde de filosoof Hippolyte Taine, is in zijn ontwikkeling afhankelijk van `race, milieu, moment’, dat wil zeggen van het ras waartoe hij behoort, van de sociale klasse en van het tijdperk waarin hij geboren is. Op basis daarvan zijn voorspellingen te doen. Er ontstaan problemen en reacties als men iemand verplaatst van zijn eigen milieu of uit zijn eigen leefgebied naar een ander. Schrijvers zijn net als andere mensen afhankelijk van hun omgeving, hun tijd en hun afkomst, maar dat zijn hun producten, de romanpersonages, dus ook. Taines ideeën werden overgenomen door schrijvers als Emile Zola en de gebroeders De Goncourt, die het schrijven van een roman zagen als een wetenschappelijk experiment, en de schrijftafel als een laboratorium. Verplaats de hoofdpersoon van een boerenfamilie naar een decadente adellijke familie en zie wat er gebeurt. Laat een sensuele vrouw uit het zuiden een relatie krijgen met een flegmatische noorderling, en je hebt drama.

Dit laatste is wat gebeurt in het spraakmakende boek van Conrad Busken Huet, Lidewyde, uit 1868. Dit boek kan als een voorloper van het naturalisme gezien worden, want het verscheen nog voordat de eerste naturalistische romans in Nederland bekend werden. Het veroorzaakte flink schandaal omdat de vrouwelijke hoofdpersoon een serpent is dat moedwillig overspel pleegt en minnaars tegen elkaar uitspeelt. `Een door en door onzedelijk boek’ werd het in de kritiek genoemd. Busken Huet had in zijn voorwoord geschreven dat passie hoofdvereiste is in een boek, en dat was ongewoon in de literatuur van die dagen waarin verbetering van de maatschappij door een hoge moraal nog tot de taken van de schrijver behoorde.

Het eerste naturalisme in Nederland kwam van Marcellus Emants. In zijn eigen tijdschrift De Banier had hij enige novellen willen plaatsen waarin de dubbele moraal van de negentiende eeuw centraal staat. Zijn mederedacteuren hadden bezwaar, vooral tegen het verhaal `Het avontuur’:

Zij vreesden dat de Banier al die abonné's verliezen zou, welke gerangschikt kunnen worden onder de rubrieken: fatsoenlijke dames, bestuurderen van deftige leesgezelschappen, enz. […] Op mijne vraag wat in het Avontuur ergernis zou kunnen opwekken bij de fatsoenlijke dames, bestuurderen van deftige leesgezelschappen enz. werd mij geantwoord dat er eenige gemeene woorden in voorkomen, een menigte ruwe uitdrukkingen in den mond van een liederlijken kerel en een al te nuchtere levenswijsheid in een gesprek tusschen vier jongelieden uit den deftigen stand.

Een verdere klacht was deze: ‘Het menschdom bestaat uit engelen en duivelen. Waarom geeft de auteur ons alleen specimina van de tweede soort te aanschouwen?’ Emants besloot om Een drietal novellen als boek te publiceren en in een voorwoord verweerde hij zich: menselijke engelen hebben voor de kunstenaar weinig waarde. `De kunst eischt handeling, strijd, en juist die passive, engelachtige eigenschappen van berusting, bescheidenheid, nederigheid enz. stempelen hen misschien in de maatschappij tot steunpilaren, maar in het kunstwerk brengen zij het hoogstens tot coulissen waarop niets rust.’ Emants verkoos dus de gekwelde, ziekelijke, bekrompene mens te beschrijven. Zijn romans, zoals Een nagelaten bekentenis (1894) en Juffrouw Lina (1888), horen daardoor tot de beste van de negentiende eeuw. Alle kenmerken van het naturalisme zijn hierin aanwezig: de hoofdpersonen hebben een nerveus gestel, hun eigenschappen zijn erfelijk bepaald, het gaat over een ontnuchtering, de burgerij wordt gehaat, seksualiteit wordt openlijk beschreven, de schrijver oordeelt niet.

Het bekendst werd het naturalisme door de strijd tussen twee jonge haantjes, Frans Netscher en Lodewijk van Deyssel. Frans Netscher publiceerde in 1885 in het tijdschrift Nederland het opstel `Wat wil het naturalisme?’ met de gortdroge omschrijving:

Het naturalisme is de terugkeer tot de natuur, hare bestudeering en verklaring door de hulpmiddelen der wetenschap, welke uitgaat van de waarneming der voorwerpen en verschijnselen, steunende op de ondervinding, vooruitstrevende door ontleding. En het Naturalisme in de letterkunde is ook de terugkeer tot de natuur en den mensch, hunne rechtstreeksche waarneming, hunne nauwkeurige ontleding en de schildering hunner waarachtige vormen en kleuren. De leerwijze van den letterkundige verschilt in genen deele van die eens geleerden; beiden bearbeiden slechts een ander terrein, beiden hebben abstracties door waarheden vervangen.

Netscher wordt door Van Deyssel afgemaakt in het pamflet `Over literatuur’ (1886). Van Deyssel noemt Netscher daarin een talentloze volgeling van Zola. Hij praat na met een `gillende oppervlakkigheid’ en zijn ideeën zijn van een `verredravende onnozelheid’. Van Deyssel meende beter te begrijpen waar het Zola om ging, namelijk niet om klakkeloze nabootsing van de natuur, maar een overstijging daarvan in een proza dat de sensualiteit aanspreekt. Dit proza realiseerde Van Deyssel zelf in zijn roman Een liefde (1887) waarin hij de vrouwelijke hoofdpersoon tot in haar intiemste gedachtes en gevoelens volgt. Het boek kreeg een storm van kritiek over zich, om zijn openlijke beschrijvingen van seksualiteit. Met name het dertiende hoofdstuk, waarin Mathilde masturbeert, werd schokkend gevonden.

Verder lezen
Tekening (van Frederik van Eeden), waarop Frans Netscher de Kop van Jut is, die met hamers bewerkt wordt door Frank van der Goes en Lodewijk van Deyssel.
Het eerste titelblad van het tijdschrift Nederland met de naam van Jan ten Brink als redacteur, bestemd voor het deel met het september- tot en met decembernummer 1872.
Omslag van Cd. Busken Huet, Lidewyde.