literatuurgeschiedenis.nl | de negentiende eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    

Het individualisme van de Tachtigers bleek weldra op een dood spoor uit te lopen. De schrijvers verlieten de beperktheid van het eigen ik om zich naar de gemeenschap te richten. Kunst werd nu deel van een gemeenschappelijk ideaal van een nieuwe maatschappij, waarin schoonheid voor iedereen weggelegd was. De arbeider moest net als de man uit de hogere burgerij literatuur kunnen lezen, en hij moest in staat gesteld worden om daarvan te genieten.

De hele mensheid
Ze gingen nog net niet met bomen praten, maar wel zijn de kunstenaars aan het eind van de negentiende eeuw spiritueel geworden. Ze zochten iets Hogers en ze probeerden iets te betekenen voor de hele mensheid.

In 1890 schreef Frederik van Eeden een open brief `Aan den Keizer aller Russen’ en publiceerde die in De Nieuwe Gids. Van Eeden wist dat er in Rusland dichters en filosofen verbannen waren naar Siberië vanwege hun socialistische denkbeelden. Ze kregen geen proces, ze werden opgepakt met hun gezin en in barre omstandigheden weggevoerd. En dat alleen omdat ze denkbeelden hadden die Van Eeden zelf ook koesterde. Dit opstel verscheen in het blad dat kunst om de kunst had gepropageerd en zich vooral gericht had op de individuele mens en zijn gevoelens en impressies. Toch waren er vanaf het begin socialistisch gerichte kunstenaars bij De Nieuwe Gids betrokken, die het blad gebruikten om hun idealen uit te dragen. Maar het was nog nooit tot een botsing gekomen tussen de schoonheidsaanbidders en de maatschappelijk-betrokkenen. De bijdrage van Van Eeden had echter een flinke discussie tot gevolg. Lodewijk van Deyssel schreef tégen de socialisten: `Ik vind níet dat Socialisme en Literatuur kunnen samengaan. Socialisme is anti-literair en Literatuur is anti-socialistiesch. Zóo is mijne meening.’ Kloos sloot zich daarbij aan. Hij meende dat sociale hervormers anti-artistiek zijn en verweet hun dat ze terugvallen op het christendom.

Het debat is kenmerkend voor de twijfel waarin de kunstenaars na de heftige beginjaren van De Nieuwe Gids gekomen waren. Het tot op de toppen van de zenuwen gedreven sensitivisme met de volledige concentratie op het eigen ik had Herman Gorter aan de rand van waanzin gebracht. Gorter brak vervolgens met de allerindividueelste kunst, hij ging filosofen lezen en kwam tot een nieuwe levensinstelling door te kiezen voor het communisme. Zijn dichtkunst stelde hij in dienst van de verheffing van de arbeider.

Ook Frederik van Eeden bestudeerde de filosofie in deze jaren. In 1898 stichtte hij een antikapitalistische tuinbouwcommune, Walden genaamd, in de buurt van Bussum, waar hij een ideale vrije maatschappij nastreefde. Na enige jaren ging de `kolonie’, zoals Walden genoemd werd, failliet. Van Eeden trok zich terug en hij ging steeds meer de richting uit van een religieuze, mystieke kunst.

Andere kunstenaars, ook jongere die niet bij de oprichting van De Nieuwe Gids betrokken waren geweest, zochten naar een nieuwe verbinding tussen kunst en maatschappij. Die vonden ze in de zogenaamde gemeenschapskunst. Kunstenaars van verschillende disciplines moesten met elkaar samenwerken om kunstwerken te maken die de mensheid een nieuwe weg wezen, waarin schoonheid, denkkracht, zinvol leven en liefde met elkaar verenigd waren. De Amsterdamse Schouwburg, die afgebrand was, werd in 1893 heropend met een voorstelling van Gysbrecht van Aemstel van Vondel. Berlage had de decors ontworpen en Bernard Zweers had het toneelstuk op muziek gezet. Er verscheen ook een prachtige nieuwe druk, naar een totaalontwerp van Antoon Derkinderen. Dit boek was onbetaalbaar voor arbeiders en voldeed daarom niet aan het ideaal van de gemeenschapskunst. Maar de voorstelling kon wel door arbeiders bezocht worden.

Hoogtepunt van de gemeenschapskunst is het gebouw voor de vakbond van diamantbewerkers - ook `de Burcht’ genoemd - dat in 1900 in Amsterdam geopend werd. De architect H.P. Berlage, de schilder Richard Roland Holst, de glazenier Antoon Derkinderen en de dichteres Henriëtte Roland Holst-van der Schalk werkten hierin samen aan een gebouw waarin de arbeiders schoonheid konden ervaren. In de vergaderzaal is een ‘strip’ over een heldhaftige arbeider op de muren geschilderd: een jonge arbeider ontwikkelt zich, neemt deel aan de strijd, vindt daarin de dood en wordt dan door latere geslachten herdacht. Zo luiden de bijschriften van de door de Tachtigers bewonderde dichteres Henriëtte Roland Holst:

Dragende hoop in het hart maakt donkere wereld licht
Uit ellende staat op de vlam van verzet
De vlam van verzet zal ellende verslinden
Geestdrift draagt ’t jonge leven door kolken van weerstand heen
Solidariteit weerstaat ook de lokkende stem van het goud

De idealen van de gemeenschapskunst komen ook terug in de boekdrukkunst. De toenemende industrialisatie had van het boek een massaproduct gemaakt, gedrukt op goedkoop papier, in lelijke banden en met kleine letters, zo dicht mogelijk op elkaar gedrukt om zoveel mogelijk tekst op een bladzijde te krijgen. Er kwam een beweging op gang voor mooiere boeken. Daarin werkten schrijvers en kunstenaars samen om het boek weer tot een oud ambachtelijk product te maken. In 1905 werd de `Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur’ opgericht, die kunstenaars de opdracht gaf mooie boeken te maken ter verspreiding onder arbeiders. Via een spaarsysteem konden die dan voor weinig geld werken krijgen van Bosboom-Toussaint, Vondel, De Schoolmeester, en ook van Dante, Sophocles en Charles Dickens, dus de beste werken uit de Nederlandse en de wereldliteratuur. Het meest verkochte boek van deze idealistische uitgeverij was Multatuli’s Max Havelaar. Het kapitaal van Karl Marx bleef daar ver bij achter.

Verder lezen
Pagina uit de door diverse kunstenaars verzorgde boekuitgave van Vondels treurspel Gysbrecht van Aemstel.