literatuurgeschiedenis.nl | de negentiende eeuw Literatuurgeschiedenis.nl: Een liefde
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Een liefde
Lodewijk van Deyssel (1864-1952), 1887

Een liefde van Lodewijk van Deyssel verscheen in 1887. Hoofdpersoon is Mathilde, een jonge vrouw die al haar idealen en illusies in rook ziet opgaan. Veel romans aan het einde van de negentiende eeuw gaan over zo’n ongelukkige heldin. Denk maar aan Eline Vere van Couperus uit 1889.

Mathilde is van goede komaf en heeft een beschermde opvoeding gehad. Haar bezigheden zijn allemaal binnenshuis. In die tijd werden meisjes heel anders opgevoed dan jongens. Zeker bij kinderen uit een beter milieu was dit het geval. Meisjes mochten vaak niet zonder begeleiding naar buiten. In hun opvoeding lag de nadruk op liefdadigheid, zelfopoffering, godsdienst en handwerken. Over seksualiteit werd hun niets geleerd. Alleen de jongemannen werd geleerd hoe ze zich in de wereld staande moesten houden.

De roman begint als Mathilde net een huwelijksaanzoek van Jozef van Wilden heeft gehad. Ze accepteert, dolgelukkig, want ze adoreert hem. Ze koestert zeer hooggestemde en romantische verwachtingen over de liefde tussen man en vrouw. Jozef ziet de wereld met totaal andere ogen dan Mathilde. Als vrijgezel heeft hij van zijn vrijheid genoten. Hij deelde regelmatig het bed met een vrouw uit de lagere klassen. Een vrouw van zijn eigen stand ziet hij vooral als een kostbaar ding. Hij wil met haar kunnen pronken, precies zoals je dat doet met een kostbaar meubelstuk of een juweel. Hij is niet verliefd op Mathilde, maar hij heeft bedacht dat zij een goede ‘aanschaf’ zou zijn.

In Een liefde wordt er via de details veel over de personages onthuld. Wanneer bedenkt Jozef bijvoorbeeld voor het eerst dat hij met Mathilde wil trouwen? Als hij een biefstuk met gebakken aardappelen eet. En dat zegt genoeg over zijn volstrekt onromantische opvattingen over het huwelijk.

Het wordt geen gelukkig huwelijk. Langzaam ontdekt Mathilde dat Jozef geen ideale echtgenoot is, maar een nogal banaal mens. Ze raakt hierdoor in grote verwarring. Om de innerlijke crisis te boven te komen, leeft ze een tijd zonder haar man op het platteland. Nog één keer flakkert daar haar verlangen naar een ideale liefde op.

In het laatste en dertiende hoofstuk zit Mathilde alleen in de tuin. Hier wordt heel gedetailleerd beschreven welke indrukken ze ondergaat.
Langzaam, terwijl alle kleuren vonkten en naderden naar haar oogen, loste haar bewustzijn zich op in de lichtkrachten die kleursidderden over haar heen. Haar leden zonken samen, achter tegen haar stoel. Zij zag wel, door de verblinding, die over haar gezicht was neêrgeschitterd heen, dat de blauwe lucht was losgebarsten en er kokende stromen gloeyend goud gudsten over de vlakte, klotsend op haar toe.

Wat aan dit fragment onmiddellijk opvalt is de woordkunst. De schrijfstijl is niet rechttoe rechtaan, maar slingerend en overdadig. De schrijver geeft hier een persoonlijke stemming weer, en geen zakelijke beschrijving van iemand die in de tuin zit. Deze manier van schrijven werd impressionistisch (van impressie, indruk) genoemd.

Dit dertiende hoofdstuk is echter om een andere reden beroemd en berucht geworden. Er wordt hier namelijk beschreven wat Mathilde ervaart terwijl ze zichzelf tot een hoogtepunt brengt. Zelfbevrediging was in die tijd een al taboe-onderwerp, maar een masturberende vrouw beschrijven, dát ging werkelijk alle grenzen te buiten. Een liefde choqueerde daarom vele lezers.

De roman werd bovendien in verband gebracht met het naturalisme, een controversiële literaire stroming uit Frankrijk. De naturalistische romanschrijvers meenden dat de seksuele driften een grote rol spelen in het leven van de mens. Ze zagen het als de taak van de romanschrijver om die driften zo wetenschappelijk mogelijk te observeren en te beschrijven. De schrijver moest zich verder van ieder moreel oordeel onthouden. De oudere generatie critici echter vond juist dat literatuur ertoe diende om de lezer moreel te verheffen.

Zelfs een aantal bevriende collega-schrijvers uit de kring rond het tijdschrift De Nieuwe Gids had moeite met het boek. In theorie hadden zij net als Van Deyssel zeer moderne opvattingen over de roman. Zij verkondigden in De Nieuwe Gids dat een schrijver zich van maatschappelijke taboes niets hoeft aan te trekken. Maar de praktijk bleek weerbarstiger. Vooral Frederik van Eeden struikelde over het dertiende hoofdstuk. Hij vergeleek de seksualiteit met een waterlelie: de bloem die op het water drijft is prachtig, maar de steel die onder water zit, is vies, glibberig en afstotelijk. Hij vond dat Van Deyssel er fout aan had gedaan die vieze kanten teveel te laten zien. Van Deyssel was het daar niet mee eens. Volgens hem was aan het geslachtsleven niets per definitie vies. Hij stelde dat Mathilde in het laatste hoofdstuk een ‘intense snik van verrukkingslijden’ doormaakt. En dat was in zijn ogen niet afstotend, maar ontroerend.

Toch zwichtte Van Deyssel – net als Mathilde zelf – ten slotte voor maatschappelijke druk. Hij schrapte in de tweede druk de meest aanstootgevende passages.

Lodewijk van Deyssel op zeventienjarige leeftijd, juli 1882. Foto: A. Greiner.
Omslag van Lodewijk van Deyssel, Een liefde. Uitgeverij Bert Bakker, Den Haag 1974.