literatuurgeschiedenis.nl | de negentiende eeuw
De Nieuwe Gids. Tweemaandelijksch Tijdschrift voor Letteren, Kunst, Politiek en Wetenschap (1885-1894)

In 1885 werd het tijdschrift De Nieuwe Gids opgericht. Het was geen zuiver literair tijdschrift, maar fungeerde als platform voor vernieuwende denkbeelden op het gebied van literatuur, politiek, maatschappij en wetenschap. De Nieuwe Gids werd opgericht door Frederik van Eeden, Frank van der Goes, Willem Kloos, Willem Paap en Albert Verwey. Zij verzetten zich tegen de conservatieve en conventionele houding van de tijd waarin ze leefden. Het tijdschrift groeide snel uit tot één van de voornaamste literaire en algemeen-culturele tijdschriften van die tijd.

De jongeren die betrokken waren bij de oprichting van De Nieuwe Gids, ook wel bekend als de ‘Tachtigers’, waren geboren rond het jaar 1860. Ze ontmoetten elkaar regelmatig bij de bijeenkomsten van het literaire genootschap Flanor, dat in 1881 was opgericht in Amsterdam. Daar droegen ze voor uit eigen werk en discussieerden ze over de Nederlandse literatuur, die volgens hen toe was aan vernieuwing. Ze hadden genoeg van literatuur waarin alles draaide om de moraliserende boodschap. Ze waren het beu dat het merendeel van de auteurs zich beperkte tot onderwerpen als geboorte, liefde en deugd. Hun ideeën en literaire bijdragen wilden ze ook buiten Flanor verspreiden, maar dat lukte niet zo goed. Diverse tijdschriften, waaronder het in 1837 opgerichte tijdschrift De Gids, wilden niets weten van de moderne opvattingen van de jonge generatie. De jongeren besloten daarom een eigen tijdschrift op te richten en dat werd De Nieuwe Gids.

In het najaar van 1885 werd het tijdschrift aangekondigd met een prospectus, geschreven door Frank van der Goes. De Nieuwe Gids, zo viel te lezen, ‘koestert den wensch het orgaan te worden van het jongere geslacht in de Nederlandsche letterkundige, wetenschappelijke en artistieke wereld.’ Het eerste nummer verscheen kort daarop, op 1 oktober. De poëticale idealen van de Tachtigers waren al vanaf het begin aanwezig in het tijdschrift. Zo schreef Verwey een pleidooi voor het sonnet als dé dichterlijke vorm bij uitstek. Hij trad hiermee in de voetsporen van Kloos die zijn liefde voor het sonnet al in 1882 had bezongen in zijn beroemde inleiding, ook wel bekend als ‘het manifest van Tachtig’, bij de Gedichten van Jacques Perk. Vanaf het derde nummer begon Kloos een nieuwe rubriek, getiteld ‘Literaire kroniek’, waarin de literaire vernieuwing een nog veel duidelijker gezicht kreeg. Kloos deelde rake klappen uit naar de oude generatie, de ‘dufdeftige oude-Gids-kliek’, die de jongeren verweet onzedelijk en onbegrijpelijk te zijn. Hij streefde naar het individuele en subjectieve in de literatuur: een kunst voor weinigen door weinigen. Hij zou zijn literatuuropvatting het best verwoorden bij de bespreking van de dichtbundel Verzen van Herman Gorter, die in 1890 werd uitgebracht. Gorter was voor zijn Verzen geïnspireerd door Lodewijk van Deyssel. Van Deyssel kondigde in 1886 in zijn brochure Over literatuur zijn nieuwe literatuuropvatting aan. Hij streefde naar een sensitivistische literatuur, waarin niet de indrukken van de buitenwereld werden verwoord, maar de indrukken van de ziel. Gorter raakte onder de indruk van deze ideeën en zette zijn zielenroerselen om in sensitieve gedichten. Kloos was vol lof over Gorter; eindelijk iemand die poëzie schreef zoals Kloos voor ogen stond. Naar aanleiding van Verzen schreef Kloos dat kunst ‘de aller-individueelste expressie van de aller-individueelste emotie’ moet zijn. Deze beroemde uitspraak zou uitgroeien tot dé literatuuropvatting van De Nieuwe Gids.

‘Het zwaartepunt der hollandsche literatuur is verplaatst. Ja, drie jaren lang was er revolutie in dit land. Revolutie in denken en verbeelden en voelen, revolutie in kritiek, in romans en in verzen’, schreef Kloos in 1889 en dit was niet slechts zijn eigen veronderstelling. In korte tijd was de literatuur totaal van gedaante veranderd.

Maar al snel werden de eerste scheuren in de redactie zichtbaar; de redactieleden begonnen kritiek op elkaar te leveren. Kloos en Verwey, twee hechte vrienden die vermoedelijk ook een homoseksuele relatie hadden, kregen ruzie met elkaar. Aanleiding voor de ruzie was de verloving van Verwey met Kitty van Vloten in 1888. Kloos kon dit besluit niet verkroppen. Hij schreef voor De Nieuwe Gids een sonnettenreeks: Het boek van kind en God, waarin hij Verwey verweet dat hij zich als een ondankbaar kind gedroeg ten opzichte van zijn leermeester. In 1889 besloot Verwey uit de redactie te stappen. Het jaar daarop publiceerde Kloos een beoordeling van de Verzamelde gedichten van Verwey, waarin hij zich negatief uitliet over het talent van Verwey. ‘Verwey's lyrische kunst is net als een vlam geweest, die begon al spelend, en om zich sloeg en opsloeg, hooger, tot een zee van vuur, maar toen weêr ineenslonk, bleeker en bleeker tot er niets overbleef dan de donkere kool.’ De vriendschap tussen Verwey en Kloos was duidelijk definitief voorbij.

Niet alleen op persoonlijk vlak deden zich ruzies voor. De redactieleden verschilden steeds meer van mening over de relatie tussen kunst en samenleving. Aan de ene kant stonden de Tachtigers, die kunst en maatschappij als onafhankelijk zagen. Daar lijnrecht tegenover stonden socialistische figuren als Frank van der Goes, die de twee juist met elkaar wilden verbinden tot zogenaamde ‘gemeenschapskunst’: kunst in dienst van de maatschappij. Deze tegenstelling zou uiteindelijk leiden tot de ondergang van het tijdschrift in 1894. Het werd daarna wel voortgezet door Kloos, maar leek in niets meer op het spraakmakende tijdschrift uit het begin. In 1943 kwam definitief een einde aan De Nieuwe Gids.

Verder lezen
Titelpagina van de eerste aflevering van De Nieuwe Gids, 1 oktober 1885.
Door de waanzin van Kloos verkeerde De Nieuwe Gids in een crisis. Een gevleugeld paard (symbool voor hoog dichterschap) stopt voor de poort van Meerenberg, een krankzinnigeninrichting.
Spotprent in het tijdschrift De Amsterdammer .