literatuurgeschiedenis.nl | de negentiende eeuw
Nationalisme

De negentiende eeuw was de eeuw van het nationalisme. Het nationalisme is een ideologie, dat is een manier van denken die niet zomaar filosofie is, maar die mensen wil aanzetten tot handelen. De ideologie van het nationalisme stelt dat iedere mens zich altijd moet laten leiden door de natie waartoe hij behoort. Een natie is een grote groep van mensen die zich als één geheel beschouwen om twee redenen: omdat ze samen in een eigen staat wonen en omdat ze één cultuur met elkaar delen. Als ofwel die staat ofwel die cultuur er niet is, moet de natie er (volgens het nationalisme) voor zorgen dat die er komt. Dat gebeurde vanaf het midden van de achttiende eeuw in bijna alle Europese landen en ook in de Lage Landen, met oorlogen en veel conflicten, waarna uiteindelijk Nederland, België en Vlaanderen ontstonden.

Wie behoorde er tot een natie? Dat was (en dat is) geen gemakkelijke vraag. Over het algemeen bestond er wel eensgezindheid over enkele dingen: een natie was de zaak van één volk. Een volk had bepaalde kenmerken waaraan het herkend kon worden en waarin het verschilde van andere volkeren: zijn taal, zijn grondgebied of territorium, de algemene volkscultuur (klederdracht, gebruiken, geloof, verhalen...) en een gedeelde oeroude geschiedenis. Zo werden naties iets nieuws in de negentiende eeuw, maar ze warentegelijk heel oud en geworteld in wat al heel lang bestond. Geschiedenis, cultuur en taal bond alle zielen van een volk samen tot één natie. Dat was minder eenvoudig dan het lijkt, want in de Lage Landen zijn veel volkeren te herkennen op basis van die kenmerken: Nederlanders, Belgen, Vlamingen, Friezen, Limburgers, Walen, Brabanders, Groningers, Brusselaars, Amsterdammers, Luxemburgers.

Niet al die volkeren werden uiteindelijk ook een natie. Want een volk is dat pas als zijn leden zich bewust zijn van hun eigenheid, van hun nationaliteit dus. Dat moest de leden van die volkeren dus duidelijk gemaakt worden – en dat lukte bij het ene beter dan bij het andere, het beste waarschijnlijk bij de Nederlanders, de Friezen, de Vlamingen en de Luxemburgers. Daarin nam vaak een kleine groep overtuigde leden van de natie het voortouw. Het waren geleerden, die zich bezig hielden met het bestuderen van de cultuur, het land, de taal en de geschiedenis van hun natie. De grote natie ontstond dus vaak in kleine studeerkamers. De geleerden maakten de resultaten van hun studie bekend via moderne kanalen: zij schakelden het onderwijs in, de pers, de nieuwe industrie, de kunsten. Hun ideeën over de natie en hun legitimaties van de natie vonden een steeds bredere verspreiding en steeds meer mensen raakten van de nationale zaak overtuigd. De geleerden zorgden zo voor een draagvlak voor algemenere actie.

Die algemene actie op basis van de gedeelde cultuur was nodig voor de tweede doelstelling van de natie: het realiseren van een eigen staat. Dat kon via twee wegen.

Soms zocht een natie een staat. Die naties hadden geen eigen staat, maar maakten deel uit van een grotere, zoals België (dat was achtereenvolgens een deel van Oostenrijk, van Frankrijk, van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden) of Friesland (een deel van Nederland). De naties bevochten, met de wapens of via politieke weg, de staten die bestonden en bouwden achteraf zelf een nieuwe staat op. Maar vaak hield het daar niet bij op: ook de nieuwe staat kreeg zelf te maken met weer andere naties die zich binnen die nieuwe staat gingen manifesteren. Van dat laatste is de Vlaamse natie een goed voorbeeld, die steeds meer op de voorgrond kwam na de onafhankelijkheid van België – terwijl de natie België zich net had losgemaakt uit het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, waar ook Nederland bij hoorde.

Elders zocht een bestaande staat een natie. Dan sloot een grote staat minderheden aan de rand in zijn eigen natie, zoals Nederland deed met Limburg en Friesland. Die grote staten waren meestal eeuwenoud en functioneerden goed: er was een territorium, er was een landstaal, er was een bestuur, er was een leger, er was rechtspraak. Heel lang gehoorzaamden onderdanen aan het bestuur van die staten, omdat alles onder leiding stond van een koning en iedereen aannam dat hij zijn macht van God gekregen had. Maar met de tijd van de revoluties rond 1800 vond niet iedereen dat meer aannemelijk. Die oude staten moesten na ingrijpende revoluties, waarvan de Franse Revolutie, waarbij de koning onthoofd werd, de bekendste is, op zoek naar een nieuwe legitimatie. Die zouden ze vinden in de natie: de bewonders van het land moesten gehoorzamen aan de structuren van de staat, niet omdat er een koning was, maar omdat ze als leden van die ene natie niet anders konden.

Zo ontstond er in de negentiende eeuw dus een band tussen staten en naties en ontstonden er natie-staten, waar één natie in één staat huisde.

De kunsten waren één van de instrumenten die de geleerden voor de nationale zaak gebruikten. Literatuur was misschien wel het instrument bij uitstek. Daar kon zonder veel omhaal de natie in bezongen worden, zoals Helmers of Prudens van Duyse dat deden. Bovendien werd dan de nationale taal op een bijzondere manier gebruikt en literatuur kon laten zien waartoe die eigen taal van de natie in staat was. Dat was bijvoorbeeld in Vlaanderen nodig, waar in het officieel Franstalige België het Nederlands niet serieus genomen werd als taal voor het bestuur en voor de kunst. Er werd daarom hard gewerkt aan een nieuwe, nationale literatuur in het Nederlands (Hendrik Conscience en Guido Gezelle). Maar literatuur kon ook meer laten zien: het kon vertellen hoe de gemeenschappelijke geschiedenis van de natie eruit zag en wat de natie van haar verleden moest onthouden (dat deed Tollens bijvoorbeeld in zijn Overwintering op Nova Zembla). En ook een derde element van de natie, de volkscultuur, kon aan bod komen in de literatuur: in de negentiende eeuw ontstond de streekroman, waar veel aandacht werd gegeven aan de gebruiken en de taal van verschillende streken van de natie (zoals de streekromans van Cremer). Als toneel kon literatuur ook een echte plaats krijgen in die volkscultuur: toneel had toen, in een tijd zonder film en televisie, nog een centrale plaats in de cultuur.

Verder lezen
G. Wappers, Episode uit de septemberdagen 1830 (Brussel: Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België).
N. Pieneman, Kroning van koning Willem II.