literatuurgeschiedenis.nl | de twintigste/eenentwintigste eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Hafid Bouazza
Oujda (Marokko) 1970

In 1996 werd het eerste boek van Hafid Bouazza, De voeten van Abdullah, met enthousiasme ontvangen. De sprookjesachtige inhoud van het boek was verrassend, maar het was vooral het taalgebruik dat de aandacht trok. Want Bouazza was geen ‘gewone’ schrijver maar een van de eerste auteurs van Marokkaanse afkomst die een ‘echt literair’ werk schreef in het Nederlands. Bouazza werd dan ook veel gevraagd voor interviews in kranten en tijdschriften waarin hij steeds dezelfde boodschap herhaalde: ‘Ik ben een Nederlandse schrijver’.

Bouazza vindt dat zijn Marokkaanse achtergrond niet bepalend is voor zijn schrijverschap: ‘ik blijf volharden in een individualiteit losgekoppeld van etniciteit en dat tegen de keer in’. Hiermee bedoelt hij dat hij vaak op één hoop wordt geveegd met andere ‘allochtone’ schrijvers en dat hij dat onzin vindt. Van allochtone schrijvers wordt vaak verwacht dat zij schrijven over de multiculturele samenleving, of over hoe het is om als buitenstaander in Nederland te wonen. Ook dat vindt Bouazza onzin, want een schrijver moet zelf zijn of haar onderwerp kunnen bepalen. Bouazza schrijft omdat hij gegrepen is door de literatuur én omdat hij kunstenaar is, en hij voelt zich dan ook niet geroepen om als spreekbuis voor de Marokkaanse gemeenschap op te treden: ‘Ik ben geen maatschappelijk werker’. Bovendien vindt hij literatuur niet geschikt om maatschappelijke problemen op te lossen; dat is een taak van de politiek en de bestuurders, niet van auteurs. Sinds 2002 schrijft Bouazza wel regelmatig kritische artikelen in de media over de multiculturele samenleving en over de islam.

Bouazza roept dus op om bij het lezen van zijn literaire werk te vergeten waar hij vandaan komt, maar hij maakt zijn lezers niet gemakkelijk. De meerderheid van de verhalen in De voeten van Abdullah speelt zich bijvoorbeeld af in een Marokkaans dorpje dat Bertollo heet en toevallig heeft Bouazza daar zelf als jongetje ook gewoond. Als lezer denk je dan al snel dat het om een autobiografisch werk gaat, maar dat ontkent Bouazza. Het dorp is volgens hem een sjabloon: een plaatje dat aan de verwachtingen van de lezers tegemoet komt. De lezers verwachten van hem als Marokkaan immers iets exotisch, een oosterse sfeer zoals in de sprookjes van Duizend-en-één-nacht. En die sfeer krijg je ook, althans voor een deel. Wat je als lezer daarom misschien niet zo snel in de gaten hebt, is dat Bertollo, naarmate de verhalen vorderen, verandert van een vrolijk oosters dorp tot een broeinest van geweld, repressie, incest, sodomie en doodslag. De bewoners van Bertollo blijken achterlijk, maar dat geldt ook voor de lezers die zich te gemakkelijk hebben laten misleiden door Bouazza’s spel met hun verwachtingen en vooroordelen.

Momo (1998) is een korte roman over het leven van een kleine jongen en zijn ouders in het dorpje Herfsthoven. In Momo doet Bouazza eigenlijk net zoiets als in De voeten van Abdullah. Herfsthoven is ook een sjabloon maar dit keer van een klassiek Nederlands dorp met dijken en een molen. Momo’s ouders zijn heel gewone mensen, alleen hun zoontje Momo is een buitenbeentje. Maar dit keer maakt dat vreemde deel uit van het voor de lezer bekende: Nederland. Momo is geen duidelijk identificeerbare buitenstaander zoals de bewoners van Bertollo dat zijn, maar rond hem, met hem en in hem gebeuren wel heel vreemde dingen. En het dorp Herfsthoven lijkt daardoor ook plotseling niet gezellig en vertrouwd, maar ongrijpbaar, zelfs unheimlich. Dit onbestemde gevoel wordt bovendien versterkt door de opvallende taal van Momo. Lezers verwachten van de migrantenauteur een exotisch tintje, en in zekere zin worden zij op hun wenken bediend: Momo staat vol vreemde woorden, of althans woorden die veel lezers niet zullen kennen. Toch zijn de woorden in de meeste gevallen wel degelijk gewoon Nederlands. Deze ‘vreemde’ taal is het vergeten deel van de eigen welbekende taal. Dit is het vreemde dat schuilt in het bekende: in het eigen Herfsthoven, in het eigen gezin, in de eigen taal.

Zijn visie op migratie en kunstenaarschap gaf Bouazza in Een beer in bontjas, een essay speciaal voor de Boekenweek 2001 die het thema ‘Schrijven tussen twee culturen’ had. Toen Hafid, die geboren is in Oujda, in het noordoosten van Marokko, één jaar was vertrok zijn vader naar Nederland om in een staalfabriek te gaan werken. In 1977 volgt Hafid met zijn moeder en zijn zes broertjes en zusjes. Ze gaan wonen in Arkel, in de Betuwe. Bouazza vertelt dit verhaal om te laten zien wat hij verstaat onder migratie. Migratie betekent verplaatsing, het overschrijden van grenzen, maar vaak leidt het tot het tegenovergestelde, namelijk het trekken van grenzen, het creëren van een home from home waar men de vertrouwde gebruiken probeert na te doen. Bouazza vindt dat migratie juist moet staan voor echte grensoverstijging en echte vernieuwing. Hij roept niet voor niets in Een beer in bontjas: ‘Leve de ontworteling! Leve de thuisloosheid! Leve de ongebondenheid! Leve de verbeelding!’

Migratie en persoonlijke vrijheid staan ook centraal in Paravion (2003). Bouazza kreeg voor dit boek de Gouden Uil, een belangrijke literaire prijs. Paravion is een sprookjesachtig verhaal waarin de tegenstelling tussen de wereld van de migrantenmannen in het nieuwe Paravion (dat verdacht veel op Amsterdam lijkt) en de wereld van de achtergebleven vrouwen in het thuisland in Morea wordt beschreven. Terwijl de mannen vooral klagen over de verdorvenheid van Paravion, breekt er voor de vrouwen in Morea een periode van vrijheid en geluk aan met een nieuwe losse seksuele moraal. Aan het vrouwensprookje komt een einde wanneer de vrouwen worden gekidnapt door hun eigen vaders. De mannen zijn naar huis gekomen om geschikte bruiden te importeren om op die manier het morele verval, dat ook onder de mannen toeslaat, te keren.

Dat ze zich (onwetend) vergrijpen aan hun eigen dochters is het gevolg en het symbool van hun culturele geslotenheid. Het oeuvre van Bouazza kan worden samengevat als een pleidooi voor onvoorwaardelijke vrijheid en openheid. Hij profileert zichzelf dan ook graag als ongebonden. Ongebonden door oorspronkelijke cultuur, deel van de Nederlandse literaire traditie, maar ook puttend uit Arabische letteren en tegelijkertijd geïnspireerd door buitenlandse moderne schrijvers als Vladimir Nabokov, Anthony Burgess en Jorges Luis Borges. Bouazza verfoeit de aanduiding migrantenauteur. Migratie, van lichaam maar vooral van geest, speelt echter wel degelijk een cruciale rol in zijn werk. Niet vanwege het exotisch plaatje, maar als metafoor voor vrijheid en openheid.

Verder lezen
Omslag van Paravion (2004) van Hafid Bouazza.