literatuurgeschiedenis.nl | de twintigste/eenentwintigste eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Ferdinand Bordewijk
Amsterdam 1884 - Den Haag 1965

Ferdinand Johan Wilhelm Christiaan Karel Emiel Bordewijk, zoals hij voluit heet, is een unieke verschijning in de Nederlandse literatuur. Dit komt vooral door zijn opvallende manier van schrijven, die met de stroming ‘Nieuwe zakelijkheid’ in verband kan worden gebracht. Hoewel Bordewijk veel verschillende romans, verhalen en essays heeft geschreven, zijn slechts een paar van zijn romans en verhalenbundels bekend bij het grote publiek. Hij viel de critici voor het eerst op bij het verschijnen van de novelle Blokken in 1931. Deze verscheen later in herdruk, samen met de novellen Bint en Knorrende beesten. Dit drieluik vormt samen met de verhalenbundels Fantastische vertellingen en De wingerdrank, en de romans Karakter en Rood paleis het bekendste deel van zijn oeuvre.

Bordewijk werd geboren op 10 oktober 1884 in Amsterdam. Op 10-jarige leeftijd verhuisde hij naar Den Haag, waar het gezin nog vaak zou verhuizen. Zelfs zo vaak, dat het verhaal de ronde doet dat zijn vader toen hij weer een nieuwe woning betrad, zei: ‘Volgens mij heb ik hier al eens gewoond.’

Nadat hij het gymnasium in Den Haag had afgerond, ging Bordewijk rechten studeren in Leiden. Na zijn promotie in 1912 werkte hij een paar jaar op een advocatenkantoor in Rotterdam. Dit kantoor zou later het decor vormen voor zijn roman Karakter. Van 1919 tot 1920 was hij tevens werkzaam als docent handelsrecht aan de handelsschool in Rotterdam. Dat gebouw stond later model voor de school in de roman Bint.

In 1914 trouwde hij met Johanna Roepman, een huwelijk waaruit twee kinderen voortkwamen. In 1919 werd Bordewijk zelfstandig advocaat, een beroep dat voor hem altijd op de eerste plaats kwam. Het schrijven heeft hij altijd als tijdverdrijf naast zijn werk beschouwd.

Hoewel veel van zijn werk gerelateerd kan worden aan het leven dat hij leidde, is het opvallend dat Bordewijk zelf leven en werk altijd als strikt gescheiden beschouwde.

Later in zijn leven heeft Bordewijk de belangrijkste oeuvre prijzen gekregen, zoals de P.C. Hooftprijs (1953) voor zijn Studiën in volksstructuur en De doopvont. In 1957 ontving hij de Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele oeuvre en in 1954 werd hij benoemd tot officier in de Orde van Oranje-Nassau.

Als thema in zijn werk staat ‘de ondergang’ of degeneratie centraal. Motieven daarbij zijn tucht en angst, die zich vaak manifesteren in een personage. Opvallend is dat Bordewijk ambivalent is in het gebruik van deze motieven: hij lijkt zowel bewondering als afkeer te hebben van tucht en angst, waardoor het moeilijk is zijn werk te typeren. In Bint draait alles om een docent die komt te werken op een school, waar de directeur Bint zijn leerlingen met harde tucht wil opvoeden tot echte persoonlijkheden. Dit leidt tot een zelfmoord van een leerling en tot een opstand tegen dit keiharde regime. Onduidelijk is of het in Bint gaat om een pleidooi voor het totalitaire systeem of juist om het falen van de menselijke tucht- over die vraag vliegen de literatuurbeschouwers zich nog steeds in de haren.

In Karakter zien we de ondergang van een familie, die tot uiting komt in de relatie tussen een vader en een zoon. De vader, Dreverhaven, is een door iedereen gevreesd deurwaarder. Hij is van mening dat hij het zijn zoon in het leven niet makkelijk dient te maken. Door hem hardnekkig tegen te werken hoopt hij zijn zoon omhoog te stuwen in het leven.

Het werk van Bordewijk is geschreven in een opvallende stijl. Deze stijl kan, net als de thematiek, in verband worden gebracht met de tijd waarin Bordewijk leefde, het zogenaamde Interbellum. In de periode tussen de twee wereldoorlogen heerste veel onzekerheid, onder meer door de vernietigingen op de slagvelden in de Eerste Wereldoorlog, de opkomende industrialisering en het ontluiken van de moderne tijd. Kunst werd in deze tijd ‘zakelijker’ benaderd en in de literatuur zien we dit terug in een stroming die we ook wel ‘Nieuwe Zakelijkheid’ noemen, een stroming waarvan Bordewijk één van de weinige vertegenwoordigers is. Deze stijl kenmerkt zich door korte, bondige zinnen waaruit al het overbodige is weggehaald:

De Bree onderscheidde nog niet veel. Er waren wel vreselijke gezichten. Er was één vrouw. De Bree deed zijn ogen van het papier gaan. Hij keek tegen de klas. Hij grijnsde, zonder lach, zijn mond vol sterke bruine tanden. Hij wachtte wel een minuut. Hij liet de deur open. Toen ging hij lezen.

De zinnen bevatten veel samentrekkingen en niet te veel bijvoeglijke naamwoorden, en de schrijver kiest regelmatig een afwijkende woordvolgorde. Typisch voor Bordewijk is dat bij hem deze korte zinnen vaak in contrast staan met vreemde metaforen en beeldspraken.

Verder lezen
Omslag van Bint (1934) van Bordewijk.