literatuurgeschiedenis.nl | de twintigste/eenentwintigste eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Lucebert
Amsterdam 1924 - Alkmaar 1994

De dichter-schilder Lucebert (pseudoniem voor Lubertus Swaanswijk) is een van de belangrijkste Vijftigers. In de jaren na de Tweede Wereldoorlog probeerde hij de poëzie een ander aanzien te geven. Dat was hard nodig, vond hij, want de oorlog had de oude poëtische idealen volstrekt onmogelijk gemaakt. Daarom schreef hij gedichten als ‘school der poëzie’, waarin hij afrekent met zijn dichterlijke voorgangers; het gedicht staat in Luceberts bundel apocrief / de analphabetische naam uit 1952.

school der poëzie
ik ben geen lieflijke dichter
ik ben de schielijke oplichter
der liefde, zie onder haar de haat
en daarop een kaaklende daad.

lyriek is de moeder der politiek,
ik ben niets dan omroeper van oproer
en mijn mystiek is het bedorven voer
van leugen waarmee de deugd zich uitziekt.

ik bericht, dat de dichters van fluweel
schuw en humanisties dood gaan.
voortaan zal de hete ijzeren keel
der ontroerde beulen muzikaal opengaan.

nog ik, die in deze bundel woon
als een rat in de val, snak naar het riool
van revolutie en roep: rijmratten, hoon,
hoon nog deze veel te schone poëzieschool.

Vooral de regel ‘In deze tijd heeft wat men altijd noemde / schoonheid schoonheid haar gezicht verbrand’ is bekend, maar wat betekent hij eigenlijk? De aanduiding ‘In deze tijd’ moet verwijzen naar de gruwelen van de oorlog: in dát vuur heeft ‘schoonheid schoonheid’ haar gezicht verbrand. Van die ‘schoonheid’, of beter: van wat men altijd zo noemde, heeft Lucebert geen hoge pet op, dat is duidelijk. De sarcastische herhaling (‘schoonheid schoonheid’) spreekt boekdelen. Lucebert constateert hier dat kwalificaties als ‘schoon’ en ‘mooi’ nietszeggend zijn geworden. Wie zich, na de wereldbrand, nog bekommert om ‘schoonheid’, die steekt z’n kop wel erg ver in het zand.

In dit gedicht lijkt Lucebert zich ook ongemakkelijk te voelen met het genre dat hij beoefent: het gedicht. Vooral de laatste woorden, ‘deze veel te schone poëzieschool’ geven daar blijk van. Het zijn de bijna wanhopige woorden van een dichter die beseft dat hij hier, in dit gedicht en op dit papier (‘in deze bundel’) tóch weer gebruik maakt van de ‘veel te schone’ middelen van de poëzie. Het rijm bijvoorbeeld: hoezeer Lucebert in de naoorlogse jaren ook de radicale vernieuwing van de poëzie predikte, dit programmatische is van de eerste tot de laatste strofe vergeven van het traditionele eindrijm…

Deze paradox (een vorm hanteren die je eigenlijk zou willen afzweren) ligt in het hart van Luceberts dichterschap. Deze dichter doet twee ogenschijnlijk tegenstrijdige dingen tegelijk; hij wordt gedreven door twee verlangens die met elkaar in strijd lijken. In de eerste plaats koestert hij grote weerzin tegen de sleetsheid van de taal en tegen de manier waarop de taal in de communicatie tussen mensen met belangen tot instrument van allerlei agenda’s wordt gemaakt. Dat had uiteraard te maken met de verse herinnering aan de Tweede Wereldoorlog (nog maar eens was gebleken dat in de taal de gruwelijkste dingen kunnen worden gezegd en de gruwelijkste bevelen kunnen worden gegeven), maar ook met Luceberts overtuiging dat de taal in oorsprong een magische kracht heeft. Daarom wil hij, in de tweede plaats, dezelfde taal die hij verafschuwt iets van die magie teruggeven. Hij probeert in zijn poëzie terug te keren naar de taal zoals ze zou kunnen zijn voor een kind dat, nog niet gehinderd door het verlangen te communiceren of de werkelijkheid met zijn woorden te manipuleren, oog en vooral oor heeft voor de directe zinnelijke kracht van de taal. Hij benadrukt daarom de materiële kant van de taal, de klank. En hij probeert zijn woorden zo dicht mogelijk bij de voelbare, lichamelijke realiteit te houden.

Concrete, zintuiglijke en lichamelijke taal, daar streefde Lucebert naar in zijn gedichten. Hij geloofde dat lichamelijke en zintuiglijke ervaringen het meest echt zijn, dat zij het meest direct toegang geven tot de kern van het bestaan. De poëzie moet niet de weg van het rationele, geestelijke of abstracte bewandelen, maar de weg van het lichamelijke, concrete, primitieve, het kinderlijke. Ook andere Vijftigers keken er zo tegenaan. Toen Gerrit Kouwenaar in 1954 een bloemlezing samenstelde uit hun werk (de bloemlezing vijf 5tigers), verwoordde hij in zijn inleiding het streven van deze dichters als volgt:

Zij trachten het woord te ontdoen van zijn ideële schuimlaag en het (weer) een stoffelijke functie te geven door via hun puur menselijke ervaringen (voelen, zien, kranten lezen, horen, au zeggen, drinken, uitglijden, fietsen, zoenen, bang zijn iets van het oorspronkelijke naakte Zijn (om niet het religieus beduimelde woord ‘zuiverheid’ te gebruiken) te (her)ontdekken en van daaruit opnieuw te starten.

Zulke poëzie, aldus Kouwenaar, verzet zich tegen ‘de dictatuur van het abstracte denken’. Van alle Vijftigers heeft Luceberts in zijn poëzie aan dat verzet het meest krachtig vorm gegeven.

Verder lezen
Handschrift van een gedicht van Lucebert, dat, in gewijzigde vorm, onder de titel ‘Bewoners’ zou worden opgenomen in zijn bundel Van de afgrond en de luchtmens (1953).
Kop. Tijdschrift van nog niet gestorven dichters. Ontwerp van Lucebert voor een nooit verschenen tijdschrift. Aan dit nummer zouden meewerken: Gerrit Kouwenaar, Jan Elburg, Lucebert, Koos Schuur en Anton Martineau.