literatuurgeschiedenis.nl | de twintigste/eenentwintigste eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    

De poëzie moest de straat op, vonden de avant-gardisten. Zij braken met de traditie en zouden het liefst de kunst helemaal hebben afgeschaft.

De grootste malligheid: historische avant-garde
De eerste helft van de twintigste eeuw was een verwarrende tijd. De politieke onrust, die leidde tot twee wereldoorlogen in dertig jaar, was zelden groter.

De eerste helft van de twintigste eeuw was een verwarrende tijd. De politieke onrust, die leidde tot twee wereldoorlogen in dertig jaar, was zelden groter. Ondertussen veranderde het alledaagse leven ook ingrijpend door de snelle technologische ontwikkelingen.

Dichters en schrijvers hebben uiteraard op deze turbulentie gereageerd, vooral in de periode die het ‘interbellum’ heet, tussen de Eerste en de Tweede Wereldoorlog. Achteraf kun je in de literatuur van deze tijd twee hoofdstromen aanwijzen: een radicale en een gematigde. De gematigde stroom, die van het zogenaamde ‘modernisme’, behandelen we in het hoofdstuk over Modernisme.

De meer radicale variant heet de ‘historische avant-garde’. Deze term is een verzamelnaam voor een aantal onderling verwante bewegingen, zoals dadaïsme, kubisme, expressionisme, futurisme en constructivisme.

De auteurs van de historische avant-garde vonden dat de nieuwe wereld om een nieuwe kunst vroeg . Ten eerste moest poëzie niet zozeer het ‘hogere’ weergeven, of de gevoelens van de dichter, maar de nieuwe werkelijkheid zelf. Niet alleen moesten er nieuwe onderwerpen aan de orde komen, dat moest ook op een nieuwe manier: vorm en inhoud veranderden allebei. Hoe rigoureus daarbij met de literaire traditie gebroken werd, is in één oogopslag zichtbaar op de volgende pagina’s uit de bundel Bezette stad (1921) van de Antwerpse dichter Paul van Ostaijen, waarin de klassieke typografie helemaal is losgelaten. Aan het affiche is te zien dat de traditionele dichterlijke vormen (rijm, strofen, regelmatige regellengte) zijn verdwenen, maar ook dat de inhoud kritiek geeft op de maatschappij waar Van Ostaijen uit voorkwam. De 19de-eeuwse waarden Godsdienst, Vorst en Staat worden hier gepresenteerd als een circusact, en daarmee een beetje belachelijk gemaakt.

Niet alleen de vorm en de inhoud, ook de rol van literatuur in de maatschappij moest anders. In plaats van exclusief en wereldvreemd stelden de avant-gardisten zich een kunst voor die de straat op ging en liefst ophield kunst te zijn. Vooral de Dada-beweging ging hier ver in. Dada, in 1916 ontstaan in Zürich, was een stroming die ‘anti-kunst’ voorstond. Uit woede tegen de burgerlijke maatschappij die de gruwelen van de Eerste Wereldoorlog op haar geweten had, besloot de groep jonge kunstenaars de kunst ‘op te blazen’.

Hoe gingen de Dadaïsten te werk? Het ligt voor de hand dat ze hun teksten niet in gewone, gedrukte boeken presenteerden. In plaats daarvan was er bijvoorbeeld in Nederland een ‘dadaïstische veldtocht’, ondernomen in 1923 door Theo van Doesburg en Kurt Schwitters.

Tijdens de voorstellingen die zij gaven, werd ‘de grootste malligheid’ uitgehaald, schrijft het Algemeen Handelsblad in dat jaar: ‘Schwitters kweelt en kraait lustig voort in de zaal [...]. De razernij [van de zaal] bereikt haar hoogtepunt, wanneer Schwitters op het tooneel de meest malle geluiden staat te kokhalzen- ‘Ba, ba, bè, bè, bé, bé...’ De Nieuwe Rotterdamse Courant heeft het echter over een verhaal van Schwitters ‘vol fijnen humor en ook meesterlijk voorgedragen’. Die reacties zijn bijeengebracht door de dichter K. Schippers in het boek Holland Dada (1974). En Schippers deed meer: in zijn tijdschrift Barbarber (1958-1972) zette hij het dadaïstische werk voort, in een later tijdperk.

Verder lezen
Affiche van Theo van Doesburg en Kurt Schwitters voor de ‘Kleine Dada Soirée’ in 1922.
'Grote Zirkus van de H. Geest' uit Van Ostaijen's Bezette Stad (1921)
Theo van Doesburg op het vastenavondbal van het Bauhaus in Weimar, 1922. De dadaïsten vonden dat kunst de straat op moest en gaven op allerlei plaatsen absurdistische optredens.