literatuurgeschiedenis.nl | de twintigste/eenentwintigste eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    

Het verloren paradijs - zo werd Indië door velen herinnerd na het einde van de koloniale tijd. In naoorlogse romans wordt vol heimwee teruggekeken op een Indische jeugd, maar worden ook vragen gesteld over de uitbuiting van de voormalige kolonie.

Voorbij en niet voorbij - Indië in de Nederlandse letteren
Nederland heeft zich lang verrijkt ten koste van ‘Indië’. Maar vanaf de negentiende eeuw begonnen er protestgeluiden te klinken.
Aan U durf ik met vertrouwen te vragen of 't uw keizerlyke wil is:
Dat Havelaar wordt bespat met den modder van Slymeringen en Droogstoppels?
En dat daarginds Uw meer dan dertig millioenen onderdanen worden mishandeld en uitgezogen in UWEN naam?

Zo besloot Multatuli in 1860 zijn roman Max Havelaar, of de koffieveilingen der Nederlandse Handelmaatschappy. Het zou vervolgens nog bijna een eeuw duren voordat de onafhankelijkheid van Indonesië (uitgeroepen in augustus 1945) door Nederland werd erkend. En niet dan nadat daar een bloedige koloniale oorlog aan voorafging.

Het trauma van die oorlog en van het verlies van Indië, dat eigenlijk al met de Japanse bezetting een feit was geworden, heeft zijn sporen achtergelaten in de Nederlandse geschiedenis en literatuur. De Indische letteren van na 1945 gaan grotendeels over de verwerking van dit trauma, over datgene wat voorbij is, maar tegelijkertijd nog lang niet voorbij.

Een veelvoorkomend onderwerp in deze boeken is de terugblik op de Indische jeugd. Schrijvers kozen dit thema om uitdrukking te geven aan gevoelens van heimwee maar ook van schuld, aan gewetensvragen ten aanzien van het koloniale verleden. In hoeverre kon hen worden verweten deel te hebben uitgemaakt van een maatschappij waarin ongelijkheid, onrechtvaardigheid, onderdrukking, soms met geweld, voorkwamen? Had een opgroeiend kind, dat Indië toch vooral als een paradijs ervoer, zich van dit alles bewust moeten zijn? Met deze vragen worstelt de hoofdfiguur uit Hella S. Haasses beroemde novelle Oeroeg (1948), die gaat over de onmogelijke vriendschap tussen een Nederlandse en een Javaanse jongen.

Oeroeg verscheen nog tijdens de onafhankelijkheidsoorlog in Indonesië en was daarmee een van de eerste boeken die het pijnlijke onderwerp – het trauma van de dekolonisatie – ter discussie stelde. Langzaamaan verschenen meer romans en verhalen over de scheiding en het verlies, waarin aanvankelijk de herinnering aan vooroorlogse tijden overheerste. Zoals Nog pas gisteren (1951) en De tienduizend dingen (1955) van Maria Dermoût, maar ook de werken van Tjalie Robinson. Spreken over de oorlog was lange tijd taboe. Teruggekeerde Indië-veteranen en repatriantenfamilies kregen geen gehoor. In plaats daarvan moesten zij zich zo snel mogelijk aanpassen aan het nieuwe vaderland, waarin wederopbouw vooropstond. Terwijl over de Duitse bezetting uitvoerig werd gesproken, werden de Japanse gevangenkampen doodgezwegen. Deze zogenoemde ‘Jappenkampen’ mochten niet vergeleken worden met het leed dat in Nederland en in de concentratiekampen was geleden.

Ook de onafhankelijkheidsoorlog tussen Nederland en Indonesië, die na WO II begon en tot december 1949 duurde, werd stilgezwegen. Lange tijd mocht die oorlog zelfs geen oorlog heten. Eufemistisch werd gesproken over ‘politionele acties’; de Nederlandse oorlogsmisdaden (in 1969 onthuld door oud-militair Joop Hueting) werden ‘excessen’ genoemd: ze werden beschouwd als incidenten tijdens een missie die door Nederland werd omschreven als ‘het herstel van orde en recht’.

Hoe voor Indië-veteranen en repatrianten de terugkeer naar het vaderland verliep, hoe ontheemd en eenzaam zij zich voelden en hoe vooral oud-militairen worstelden met hun oorlogsverleden, is beschreven door Adriaan van Dis, eerst in Nathan Sid (1983) en later, uitvoeriger, in Indische Duinen (1994) en Familieziek (2004).

Hoe gevoelig de oorlogstijd in Indonesië nog altijd ligt, en hoezeer de slachtoffers behoefte hebben aan erkenning van hun leed, wordt geïllustreerd door de rel rondom de roman Bezonken rood van Jeroen Brouwers (1981). In het boek verwerkte de auteur zijn ervaringen als klein jongetje in Japanse gevangenschap. Medeslachtoffers beweerden dat zij zich in de roman herkenden: ‘zo was het geweest’. Maar Rudy Kousbroek, een schrijver die zelf ook enkele jaren in een Japans kamp doorbracht, kwam met scherpe kritiek: het boek stond vol ‘feitelijke onwaarheden’ en Brouwers had het oorlogsleed overdreven. Kousbroek beschuldigde zijn collega van geschiedvervalsing. Brouwers, op zijn beurt, noemde Kousbroek een ‘geobsedeerde raaskallende gelijkhebber’ en ‘oorlogsmisdadigersvriend’. Pas jaren later legde hij uit dat hij met Bezonken rood had willen opschrijven ‘hoe hij zich voorstelde Indië zogenaamd te herinneren’.

Brouwers schreef over Indië als over een verzonken Atlantis. In Bezonken rood is Nederlands-Indië een land van de verbeelding geworden. Over de betrouwbaarheid van herinneringen, ofwel de onbetrouwbaarheid van het geheugen, over de moeilijkheid om feit en fantasie, herinnering en verbeelding van elkaar te scheiden gaan veel van de huidige romans en verhalen over het koloniale verleden. Het thema komt vooral aan de orde in Het lied en de waarheid van Helga Ruebsamen (1997).

Verder lezen
Affiche voor de boekverfilming van Oeroeg (1993).
Jeroen Brouwers. Foto door Chris van Houts.