literatuurgeschiedenis.nl | de twintigste/eenentwintigste eeuw Literatuurgeschiedenis.nl: De kellner en de levenden
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
De kellner en de levenden
S. Vestdijk, 1949

Simon Vestdijk – van wie men zegt dat hij sneller schreef dan God kan lezen – publiceerde De kellner en de levenden in 1949. Na de oorlog kreeg Vestdijk al snel de status van grand old man van de Nederlandse literatuur; niet alleen als romanschrijver, maar ook als dichter en essayist. Invloedrijke generatiegenoten als Marsman, Ter Braak en Du Perron – met Ter Braak zat Vestdijk in de redactie van Forum – hadden de oorlog niet overleefd.

De kellner en de levenden kent een eenvoudige verhaalstructuur, maar is tegelijkertijd een zeer rijke en complexe roman. In twaalf hoofdstukken wordt chronologisch het verhaal verteld van elf flatbewoners en een gast, die op een avond worden opgepakt door mannen die zich voor agenten uitgeven. De agenten brengen de twaalf naar een bioscoopgebouw, van waaruit een onwerkelijke tocht begint door verschillende ruimtes die zich in dit gebouw lijken te bevinden. Zo komen de flatbewoners terecht op een spoorwegemplacement, waar ze opgejaagd worden door monsters. Vervolgens belanden ze in de troonzaal van de duivel, die echter minder machtig blijkt te zijn dan hij zich voordoet. Ze weten te ontsnappen en keren terug op de plaats waar ze werden opgepakt. Daar worden ze toegesproken door een kelner die hen tijdens hun tocht heeft bijgestaan.

‘Heeft zich om jou soms niemand van kant gemaakt? Anders stònd je hier toch zeker niet?’
‘Jawel,’ zei Haack met zekere trots, ‘een vrouw.’
‘Een vrouw!’ – Na hem enkele ogenblikken onthutst te hebben aangestaard, begon de chef te krijsen van het lachen, en met onvaste bewegingen schoof hij wat dichter naar zijn tegenstander toe. – ‘Hi hi hi! Dan hebben ze jou zeker mannenbloed in je handen gestopt. Of neen, je had die botten... Ik zal je eens wat zeggen, rotflikker: hier onder mijn arm heb ik een varkensblaas vol met vrouwenbloed, zo rood als mijn vroegere pet, en die varkensblaas die ga ik jou, rotflikker, op je hersens kapotslaan!’
Het dreigement was misschien niet ernstig gemeend, en achteraf verbaasde Haack er zich over, dat hij aan dergelijke dwaasheden geloof had kunnen hechten. Maar toen de chef de rechterhand, die de zak, of tas, of blaas omklemde, langzaam achteruitbracht, werd de angst voor bloed hem te machtig, en zonder zich verder om de beenderen te bekommeren, stoof hij achteruit, sprong over het zijhek aan de andere kant, en liet zich vrijwel van de trein afvallen, waarbij hij alleen maar zijn enkel stootte, op dezelfde plek als toen hij de oude Van der Woght een glas wijn in het gezicht had willen smijten.
Hij lag naast de rails, en reeds was daar de trein die hem verpletteren ging. Hij rolde om en om, klom over ijzer, en viel neer, en lag tussen rails, en het treintje was niet meer te zien, had plaats gemaakt voor het brullende monster uit de andere richting, de goede richting dit keer: voorwaarts naar de hemel! Het rechtschapen koper en staal, gestookt en bediend door de brave zwarte jongens, die waarachtig niet in de hel gestopt zouden worden voor hun moeite. Dat hij zou worden vermorzeld, stond voor hem vast; hij ging liggen als in zijn bed, de knieën opgetrokken, en zei bij zichzelf: ‘Ik Richard Haack van Rheden,’ – de naam leek hem lang genoeg om enkele seconden langer te duren dan bijvoorbeeld Kwets. Daar kwam de dood, verheven als de aartsengel zelf, nog niet overwonnen, nog niet moedeloos en verslagen, prachtig luidruchtig veeleer, met het ostinato der metalen bassen en het staccato der druppelende, hete olie. Een malende dood, een molen voor de ware uitverkorenen... Pas toen de locomotief en de goederenwagens over hem heen waren gereden, zonder dat hij iets anders merkte dan stoom en lawaai, begreep hij, dat men in de droom niet sterven kon en dat hij even goed rechtop had kunnen blijven staan.

Tijdens hun tocht door de infernale ruimtes draait alles voor de flatbewoners om één vraag: wat gebeurt er met ons? Een aantal personen denkt in het laatste oordeel te zijn beland, sommigen vermoeden een uit de hand gelopen pr-stunt van het bioscooppersoneel. Richard Haack, een van de flatbewoners, is ervan overtuigd dat hij en zijn lotgenoten zich in een collectieve droom bevinden. Op een zeker moment maakt hij zich los van de groep. Tijdens zijn privétocht wordt Haack geconfronteerd met zijn angsten en de minder rooskleurige kanten van zijn leven. De acteur, een homoseksueel, heeft ooit voorgewend verliefd te zijn op een actrice, die zelfmoord pleegde toen Haack haar verliet. Haack komt in een grote kuil terecht, waar hij – in een scène die rechtstreeks aan Shakespeares Hamlet refereert – door gravers gedwongen wordt een schedel en twee dijbeenderen van het lijk van deze actrice mee te nemen. Vervolgens ontmoet hij een homoseksuele stationschef, die hem bedreigt met bloed – een grote angst van de acteur. Wanneer Haack ten slotte door een trein dreigt te worden overreden, spreekt hij zijn eigen naam uit.

Na zijn terugkomst bij de groep neemt Haack de leidersrol op zich. De zelfgezochte blootstelling aan eigen angsten en ‘zonden’, en de impliciete erkenning van het bestaan door het uitspreken van zijn naam geven hem een voorsprong op de rest van de groep. Met name het erkennen van het bestaan blijkt van belang. Als de volledige groep later in de troonzaal van de opperduivel terechtkomt, vertelt deze hun wat het doel van de hel is: het creëren van een ‘luchtledig’, het grote niets. Hiervoor is het noodzakelijk dat de twaalf – de enige levenden die zich in de ruimtes achter en onder het bioscoopgebouw bevinden – God en het bestaan vervloeken. Zij doen dit echter geen van allen.

De reis die de twaalf personages maken kan worden gezien als een louteringstocht, waarin allen de confrontatie aangaan met zichzelf en, belangrijker nog, het bestaan. In een speech die de kelner bij thuiskomst tot de groep richt, legt hij hun de zin van hun tocht uit. Volgens de kelner, een Christusfiguur, is het bestaan – en God dus ook – per definitie onvolmaakt. Hij noemt het een illusie dat er een absolute scheiding gemaakt kan worden tussen goed en kwaad. De mens dient, hoe moeilijk dat ook is, het bestaan en zichzelf in al zijn onvolmaaktheid te accepteren. Op basis van de speech van deze kelner en de functie die deze speech in het verhaal inneemt, kan De kellner en de levenden verbonden worden met het existentialisme.

Verder lezen