literatuurgeschiedenis.nl | de twintigste/eenentwintigste eeuw
Lekker stout: Hoe de jeugdliteratuur groot werd

Ik ben lekker stout (1955) heet een van de bundels van Annie M. G. Schmidt, en die titel klinkt meteen als een protest tegen de manier waarop er lang tegen kinderboeken was aangekeken. Men beoordeelde jeugdliteratuur vooral op de opvoedkundige waarde en de moraal van het verhaal. De speelse vormen en de ondeugende inhoud van Schmidts poëzie voor kinderen zorgden voor een bevrijding. Zij combineerde bijvoorbeeld in het rijm zaken die eigenlijk nooit bij elkaar waren gedacht en maakte van koningen hele gewone mensen: ‘Toen at de koning een liter ijs / vlak voor ’t koninklijk paleis’. Ze koos partij voor de kinderen en liet zien hoe dwaas volwassenen soms doen en zijn.

Naast het bevrijdende geluid van die ene auteur kwam er vanuit een heel andere hoek nog een stimulans om eens goed na te denken over het schrijven voor kinderen. Vlak na de Tweede Wereldoorlog wilde men het lezen van kinderen bevorderen, en daarom werd de Kinderboekenweek bedacht én een prijs voor het beste kinderboek van het jaar (later: de Gouden Griffel).

Een bekroning van een kinderboek betekent niet alleen aanzien voor de auteur, maar is ook een stimulans om het schrijven voor kinderen als serieus vakmanschap op te vatten. In de tweede helft van de twintigste eeuw kwam er inderdaad geleidelijk aan meer waardering voor de kinder- en jeugdliteratuur. Het waren in de jaren zeventig ‘alternatieve’ ouders en andere opvoeders die ervoor zorgden dat de emancipatie van de jeugdliteratuur nog verder ging.

Zij keerden zich vooral tegen de wereldvreemdheid van veel kinderboeken (zelfs Schmidts Jip en Janneke moesten het ontgelden): ook literatuur voor kinderen moest betrekking hebben op de wereld van vandaag. Zo ontstonden de zogenaamde probleemboeken. Die kommer-en-kwel-romans stonden vol maatschappelijke problemen en leverden de oplossingen er veelal bij.

Bovendien kreeg de vorm van kinderboeken meer aandacht. Zo kwamen er steeds meer jeugdschrijvers van wie het werk met literaire maatstaven gemeten kon worden. De vraag rees zelfs of het beoogde lezerspubliek sommige literaire hoogstandjes nog wel kon begrijpen en waarderen. Want er was inmiddels een schrijversgeneratie opgestaan die zeer bewust koos voor het schrijven van jeugdliteratuur, schrijvers die zich niet in de eerste plaats bekommeren om opvoedkundige waarde of moraal. Imme Dros beschouwt ‘jeugdliteratuur’ als een apart genre: je kiest ervoor, of je gaat romans voor volwassenen schrijven. Dezelfde keuze als Dros hebben ook auteurs als Wim Hofman, Joke van Leeuwen en Ted van Lieshout gemaakt. Het zijn voorbeelden van dubbeltalenten, schrijvers die hun eigen teksten op eigenzinnige wijze illustreren. Zij putten uit het volle arsenaal aan literaire mogelijkheden, bijvoorbeeld om adolescentenromans te schijven. In tegenstelling tot de probleemboeken uit de jaren zeventig leveren deze jongerenboeken nu vooral stof tot nadenken over kwesties die de adolescent bezig houden, zonder kant en klare oplossingen te bieden.

Het traditioneel vertelde verhaal is, ook internationaal, gedesintegreerd: verhalen voor de jeugd zijn niet altijd nog chronologisch geordend, de plot leidt in veel gevallen niet meer naar een oplossing en er is vaak geen sprake meer van een waarheidsgetrouwe afbeelding van gebeurtenissen of personages.

In de moderne jeugdliteratuur komen experimenten voor met vertelvormen (Imme Dros, Odysseus, een man van verhalen), worden verhalen verstrengeld (Margriet Heymans, De wezen van Woesteland), wordt duidelijk gemaakt dat lezers met verhálen te doen hebben (Wim Hofman, Zwart als inkt is het verhaal van Sneeuwwitje) en worden verbanden gesuggereerd met andere verhalen (Peter van Gestel, Mariken). Het zijn verteltechnieken die ook voorkomen in de (post)moderne literatuur voor volwassenen.

Tegelijk zijn er ook nog altijd de makkelijkere kinderboeken, van Carry Slee of Paul van Loon; juist die krijgen waardering van de kinder- en jongerenjury’s. Ook dat is niet anders dan in de volwassenenliteratuur: ook daar vinden de recensenten andere boeken mooi dan het grootste deel van het lezerspubliek.

Verder lezen