literatuurgeschiedenis.nl | de twintigste/eenentwintigste eeuw
Literatuur en porno

Literatuur en pornografie – op het eerste gezicht gaan de twee slecht samen. Literaire uitgevers geven geen pornografie uit, en bovendien heeft pornografie een helder, niet-literair doel: lichamelijke opwinding veroorzaken. De circuits waarin de twee zich begeven, hebben dan ook lange tijd niets met elkaar te maken gehad. Je had de officiële literatuur, en je had pornografische boekjes die verschenen bij anonieme uitgevers. Dat bleef zo tot het einde van de negentiende eeuw; vanaf dat moment komt de boel in beweging.

Expliciete seksualiteit dringt dankzij het naturalisme door tot het domein der literatuur. Een bekend voorbeeld is Lodewijk van Deyssels roman Een liefde,waarin de auteur zich inleeft in een masturberend meisje: ‘haar geslachtsdeel leefde gloei-kittelend op als een daar verborgen beest’. Ook Louis Couperus zoekt de grens van het betamelijke op in Langs lijnen van geleidelijkheid, en Jacob Israël de Haan is expliciet in Pijpelijntjes.

Enkele jaren later paart E. du Perron in Het land van herkomst een ‘uitgebreide kennis van het menselijk geslachtsleven aan een oncalvinistische openhartigheid’, aldus Simon Vestdijk. Maar Du Perron beperkt zich niet tot zijn serieuze werk. Onder het pseudoniem W.C. Kloot van Neukema schrijft hij pornografische sonnetten: ‘Elizabeth, je mond zoo vochtig-rood van kleur, / heb ik nog liever dan je voor- en achterdeur. / O, laat je lippen soppend knijpen in mijn lul.’

Zo expliciet is het ‘bovengronds’ nog lang niet. Na de oorlog zou W.F. Hermans pornografie hebben geschreven met De tranen der acacia’s, Anna Blaman met Eenzaam avontuur en natuurlijk Gerard (van het) Reve en Jan Wolkers. De term ‘pornografie’ wordt in deze gevallen voornamelijk gebruikt om aan te geven hoe verderfelijk het boek is in de ogen van sommigen.

Toch zal niemand deze naoorlogse romans nu nog pornografisch willen noemen. In al deze gevallen geldt dat er maar een generatie overheen gaat voordat ingezien wordt dat Een Liefde, Tranen der Acacia’s etc. wel degelijk tot de hoge literatuur behoren. Dit kenmerkt de verhouding tussen literatuur en pornografie tot aan de jaren zestig.

In 1964 verschijnt Ik Jan Cremer en hoewel het riskant is om te veel ontwikkelingen op te hangen aan één titel, valt niet te ontkennen dat er vanaf dat moment iets verandert aan de verhouding tussen literatuur en pornografie. Het is een klassieke schelmenroman over de jeugd van een opgroeiende man die een periode van mislukte baantjes afsluit als succesvol kunstenaar in zonnig, drank- en drugsrijk Ibiza. Het boek staat vol met seks en geweld en is in een platte stijl geschreven, op het spreektaalachtige af.

Het grote verschil tussen Jan Cremer en de andere schrijvers is hun doel. Het ging Cremer niet om literatuur: Cremer wilde vertellen over seks en geweld in het leven van Jan Cremer.

Vanaf dat moment is de Nederlandse literatuur de schaamte voor porno enigszins voorbij. Uitgeverij De Arbeiderspers verkent het terrein tussen pulp en literatuur met bijvoorbeeld een reeks Zweedse pornoverhalen, in vertaling van J. Bernlef (Het land Coïtha). Heere Heeresma (Gelukkige paren) en Louis Paul Boon schreven ook pornografische verhalen (Mieke Maaike’s obscene jeugd).

Expliciete seksualiteit is in de jaren zeventig veel vaker in literatuur te vinden zonder dat het een schandaal veroorzaakt. Of het moet zijn wanneer een negentienjarig meisje schrijft over een dertienjarig meisje dat een veertigjarige man verleidt (Hester Albach, Het debuut). Of wanneer achter een erotische autobiografie van een jonge vrouw een man blijkt schuil te gaan (Geerten Meijsing schreef Eefje Wijnberg, Een meisjesleven). Maar wanneer Louis Ferron een pseudoniem kiest voor zijn erotica, doet hij dat om die werkjes gescheiden te houden van zijn oeuvre, niet om onherkenbaar te blijven; daarvoor zijn namen als Luigi di Verona en Louis de Vêron iets te doorzichtig.

A.F.Th. van der Heijden is ook niet bekritiseerd om het pornografische gehalte van boeken als Het leven uit een dag of De movo tapes, terwijl de seksuele situaties daarin onomwonden worden beschreven: ‘Edelweiss [een model] keek met ontzag en een beetje angstig naar Peters geslacht, dat zich tot uiterste hardheid had opgericht, enigszins schuin hangend, zacht wiegend. De schacht, en dat ontroerde haar, glansde in de overvloed aan licht, als opgepoetst. Heidi legde zonder omhaal haar hand eromheen. Zo zou ze het ook bij een huishoudelijk voorwerp doen.’

De situatie is pornografisch, de beschrijving plastisch, maar Van der Heijden laat in zijn woordkeus en beeldgebruik subtiel zien dat het hem om iets anders te doen is. De literaire rechtvaardiging is weer terug, de formuleringen zijn alleen nog explicieter geworden.

Het woord ‘pornografie’ wordt alleen nog als scheldwoord gebruikt wanneer – zoals bij Ik Jan Cremer – de roman vrouwonvriendelijk is, of wanneer een auteur stilistische vlakheid wordt verweten. De morele verontwaardiging vanwege het beschrijven van seksualiteit op zichzelf is verdwenen. Daarmee is de functie van seks in literaire werken dus niet veranderd, maar de waardering ervan wel: het is een gewoon thema geworden.

En de ‘ondergrondse’ pornografie? De rol van de vieze boekjes is goeddeels overgenomen door internet, maar er is wel een andere ontwikkeling te zien. Na Jan Cremer is het mogelijk geworden om zelfs de meest schaamteloze pulp literatuur te noemen, en daar is op ingesprongen door de uitgevers van zogenaamde ‘literaire thrillers’. Cremer heeft met zijn werk de weg vrijgemaakt voor een vrijere benadering van seksualiteit in de literaire roman. Met zijn grensoverschrijdende marketingactiviteiten heeft hij ruimte gemaakt voor Saskia Noort en Esther Verhoef, die met hun seks-&-geweld-boeken pas echt weten te profiteren van de verandering in de literaire moraal.

Verder lezen