literatuurgeschiedenis.nl | de gouden eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Anna Visscher - dienstbare wijsheid
Amsterdam 1583 - Alkmaar 1651

Anna Visscher zat boordevol talent en genoot van haar artistieke contacten. Maar het leven in dienst van anderen ging toch voor.

Anna Visscher kwam uit een levendig, artistiek en rijk Amsterdams koopmansgezin, waarin maar liefst drie leden bekend werden om hun kunstzinnig talent: vader Roemer, de oudste dochter Anna en haar jongere zus Maria Tesselschade. De zussen kregen een moderne humanistische opvoeding. Zoals bij alle vrouwen was hun opvoeding vooral gericht op de rol van echtgenote en moeder, maar volgens de moderne opvattingen van hun ouders werden ze ook voorbereid op een mondige rol in gezelschap. Ze moesten mee kunnen praten over culturele onderwerpen, dus kregen ze (privé-)onderwijs in talen als Italiaans en Frans en in geschiedenis en literatuur. Ze konden ook hun artistieke talenten ontplooien. Zo graveerde Anna Visscher prachtige letters op glas, musiceerde ze en schreef ze gedichten.

Op artistieke avonden bij de Visschers thuis kwamen schilders en kunstenaars. Er werd poëzie voorgedragen en muziek gemaakt. Anna leerde er de grote dichters van haar tijd kennen: Bredero, Hooft, Cats, Vondel, Huygens en Van Baerle (die onder de naam Barlaeus Neo-latijnse gedichten schreef). Ook de Leidse hoogleraar Heinsius hoorde tot haar netwerk. Ze zocht graag literair contact, en met succes. Dichters als Heinsius, Cats, Huygens en Vondel prezen haar enorm.

Vooral met de Zeeuwse dichter Cats raakte ze goed bevriend. Hij droeg in 1618 zijn bundel Maechdenplicht aan haar op. Daarin laat hij een wijze ‘Anna’ betogen dat vrouwen vóór hun huwelijk maagd moeten blijven. De contacten leidden tot een logeerpartij in Zeeland, in 1622, waar een verzamelbundel met poëzie in de maak was: Zeevsche Nagtegael. De auteurs waren Zeeuwse mannen en vrouwen die wilden bewijzen dat de modernste Nederlandse literatuur ook in Zeeland leefde. Ze nodigden Visscher uit mee te doen. Die vergeleek hen in een antwoordgedicht eerst plagerig met in het Zeeuws kwakende kikkers zonder het talent van een nachtegaal, maar verder deed ze graag mee. Ze wist immers zelf ook wel hoe moeilijk het is om goede poëzie uit je pen te krijgen, zoals ze in het onderstaande gedicht vertelt.

Ze heeft Cats een gedicht beloofd, maar alles gaat fout en ze gaat gefrustreerd naar bed. ’s Nachts droomt ze dat haar tekst genadeloos afgekeurd wordt door vijandige critici. Ze beseft dat ze liever geen risico moet nemen op zulke onwelwillende reacties. Het gedicht is zowel grappig als serieus bedoeld. Visscher laat met een lach zien dat ze heel wat techniek in huis heeft: de toespeling op de klassieke zonnegod Phoebus Apollo en de opsomming in het eerste deel, in het tweede deel de personificaties. Tegelijk waarschuwt ze voor hoogmoed. Dichters moeten bescheiden blijven.

Aan den geleerden heer Jacob Cats

Toen gistren Phoebus had zijn afgemende paarden
gelaten uit den toom en dat hij van der aarden
ging bergen in de zee zijn blinkend gouden hoofd,
toen dacht ik om hetgeen dat ik u had beloofd.
Ik kreeg pen, inkt, papier en zette mij tot schrijven,
ten eerste wou het boek niet open liggen blijven.
De pen moest zijn versneên en ’t pennenmes was plomp,
in plaats van pen sneed in mijn hand een diepe slomp.
’t Papier sloeg kladdig door: in d’inkt was gom noch luister.
’k En had geen snuiter en mijn kaars die brandde duister.
De zuster van de dood die sleepte mij naar bed.
Dus, o geleerde vriend, zo werde ik belet –
tot mijnen besten, want Misnoegen kwam gevlogen
en bracht mij in den droom de verzen voor mijn ogen,
heel kreupel, mank en lam. De schamper bleke Nijd
riep spotsgewijs: ‘Gij meent dat gij Homerus zijt.’
De zwarte Laster kreet: ‘Gaat heen, wilt mededelen
uw ongerijmde rijm, ’t zal ieder haast vervelen.’
Toen kwam Bezinning na, die zei: ‘Houdt ze bedekt,
zo wordt gij niet benijd, gelasterd noch begekt.’
Aan de geleerde heer Jacob Cats

Toen gisteren zonnegod Apollo zijn afgematte paarden
uitgespannen had en weg van de aarde
zijn blinkend gouden hoofd ging onderdompelen in zee,
toen dacht ik aan wat ik u had beloofd.
Ik pakte pen, inkt, papier en wilde gaan schrijven,
maar eerst wilde het schrift niet open blijven liggen.
De pen moest bijgesneden worden en het pennenmes was bot,
in plaats van in de pen sneed het een diepe snee in mijn hand.
Het papier kwam onder de inktvlekken: de inkt had te weinig hars en glansde niet.
Ik had geen schaar voor de kaarsenpit en mijn kaars walmde.
De slaap sleepte me naar bed.
Zo, geleerde vriend, zo zat alles tegen -
maar het was voor mijn bestwil, want Ontevredenheid kwam aanvliegen
en bracht mij in een droom de verzen voor ogen,
die erg kreupel, mank en slecht liepen. De schampere, bleke Jaloezie
riep spottend: ‘U denkt dat u Homerus bent.’
De zwarte Roddel krijste: ‘Ga weg, laat je
slechte gedicht maar horen, het zal iedereen gauw vervelen.’
Toen kwam Bezinning naderbij, die zei: ‘Hou ze verborgen,
dan word je niet gehaat, niet belasterd en niet bespot.’

In de Zeevsche Nagtegael staan twaalf gedichten van Visscher. Ze publiceerde verder zelf maar weinig: ze droeg bij aan enkele bundels, maar heeft geen gedrukt boek op haar naam. Wel schreef ze 32 gedichten in een sierlijk handschrift in een boekje met een perkamenten omslag, dat ze Letterjuweel noemde. Er staat bijvoorbeeld een dankdicht aan Huygens in, toen ze hem eindelijk eens luit had horen spelen.

Tussen de huishoudelijke bedrijven door verzorgde ze in 1620 een herdruk van haar vaders embleembundel Sinnepoppen (Betekenisvolle afbeeldingen). In de eerste druk bestonden de emblemen uit een plaatje, een kort motto en een tekst in proza. Ze verving het proza door korte en langere gedichten, over dezelfde onderwerpen maar serieuzer ingevuld. In het onderstaande embleem waarschuwde vader Visscher vrouwen dat ze in gezelschap best deel mogen nemen aan vrolijk vermaak, maar dat ze ook diepgang moeten tonen. Een verstandig man wil immers geen al te lichtzinnige echtgenote. Zijn dochter verzwaarde de les. De echtgenote moet eerst het huishouden doen en mag daarna haar man opvrolijken. Afleiding is nuttig, maar met mate: bij de dood zal er immers niets van overblijven.

Wat ist anders als fraey?
Een vrouwe, zingende muzieke, ofte spelende op een luite, wordt wel [uitbundig] geprezen om ’t gezelschap te vermaken, van [door] de lichtvoetige vrijers; dan [maar] de verstandige minnaars, die naar vriendenraad horen en doen, zullen al zulke [zulke vrouwen] wel hogelijk - ja in de lucht - verheffen met woorden, dan [maar] zij laten ze een ander trouwen, want Al te walgt [al teveel wekt weerzin].
Wat is ’t anders als fraai?

Die anders niet en kan als zingen, spelen, tuiten,
is geenszins fraai zo deugd en eerbaarheid staan buiten.
Wat is het meer dan mooi?

Wie niets anders kan dan zingen, spelen en musiceren,
is helemaal niet mooi als deugd en fatsoen ontbreken.
Een vrouw die niet als zingt en tuit,
die gaarne danst, en die de luit
schier nimmer uit haar handen leit,
fij, fij, dat is lichtvaardigheid.
Een vrouw die alleen maar zingt en muziek maakt,
die graag danst, en die de luit
bijna nooit uit haar handen legt,
foei, foei, dat is lichtzinnig.
Maar is het niet een hemel schier
te zien hoe dat een geestig dier
met zang of spel haar man verkwikt
als ’t nodig huiswerk is verricht?
Maar is het niet bijna hemels
te zien hoe een geestig ‘dier’
met zang en spel haar echtgenoot opbeurt
als ze haar huishoudelijke werk af heeft?
Misbruik verkeert het zoetste zoet
in walgelijk en bitter roet,
ja, heilzaam nutte medicijn
t’ontijds gebruikt, keert in venijn.
Misbruik verandert het zoetste zoet
in walgelijke en bittere roet,
ja, een goed en nuttig medicijn
op een verkeerd moment gebruikt, verandert in vergif.
Dan die zijn oog op ’t eeuwig slaat,
de tijdelijke fraaiheid laat,
die met al ’t wereldse gespook
verdwijnen zal als wind en rook.
Maar wie vooruit kijkt naar de eeuwigheid
laat de tijdelijke schoonheid achter zich,
die samen met al de wereldse verlokkingen
zal verdwijnen als wind en rook.

Visscher was diepgelovig, zoals uit gedichten over de christelijke feestdagen en een aantal psalmberijmingen blijkt. Plichtsbesef stond centraal. Na de dood van haar moeder in 1619 moest zij als oudste dochter voor het huishouden zorgen. Ze vond dat zwaar: ‘de huiszorg weegt als lood’, schreef ze aan Huygens. Maar toch deed ze het, al kostte het haar de tijd om te schrijven. Dat was nu eenmaal zo, zoals ze uitdrukte in haar levensspreuk: Genoeg is meer. Ze bedoelde dat ze tevreden was met wat God haar toebedeeld had. Zelf trouwde ze pas laat, in 1624, toen ze al 40 was. Ze ging toen van het calvinisme over naar het rooms-katholicisme, de geloofsrichting van haar echtgenoot Dominicus Boot van Wesel. Ze verhuisde naar de Wieringerwaard. Zoals veel getrouwde vrouwen schreef ze bijna niets meer.

Verder lezen
In een sierlijk handschrift complimenteert Visscher Huygens met zijn luitspel.
Wat ist anders als fraey?
Een vrouwe, zingende muzieke, ofte spelende op een luite, wordt wel [uitbundig] geprezen om ’t gezelschap te vermaken, van [door] de lichtvoetige vrijers; dan [maar] de verstandige minnaars, die naar vriendenraad horen en doen, zullen al zulke [zulke vrouwen] wel hogelijk - ja in de lucht - verheffen met woorden, dan [maar] zij laten ze een ander trouwen, want Al te walgt [al teveel wekt weerzin].
Tekening van een onbekende vrouw door Henrick Goltzius, begin zeventiende eeuw. Tot ongeveer 1950 dacht men ten onrechte dat dit Anna Visscher was.