literatuurgeschiedenis.nl | de gouden eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Jan Vos - dichtende glazenmaker
Amsterdam 1610/1611 - Amsterdam begr. 11 juli 1667

Jan Vos was een echte Amsterdammer; hij had een bedrijf in de Kalverstraat. Als dichter wist hij door te dringen tot de elite van de grachtengordel, ook toen al de plaats waar de vooraanstaande Amsterdammers woonden.

Vos woonde zijn hele leven in de Kalverstraat. In de zeventiende eeuw was dit al een levendige winkelstraat. Vos’ vader had er een bedrijf waar glas-in-lood ramen ontworpen en gemaakt werden. Vos nam dit over, maar zijn ambities reikten verder: hij was ook dichter.

Vos schreef veel – zijn poëzie werd samen met zijn drie toneelstukken in 1662 gebundeld in twee dikke boeken. Via de vele gelegenheidsgedichten kunnen we zien welke contacten hij had. De gedichten zijn gericht aan Amsterdamse kunstenaars of aan Amsterdamse regenten. Vooral de contacten met regenten hebben veel voor Vos’ dichterschap betekend. Als katholieke ruitenmaker zonder gymnasiale opleiding had hij het moeilijk in de concurrentie met protestantse, hoger geschoolde en vaak rijkere dichters. Amsterdam was een tolerante protestantse stad, maar katholieken konden geen hoge functies vervullen. En in de literaire wereld was geleerdheid van groot belang: dichters hadden een publieke functie en moesten laten zien dat ze de cultuur van de klassieke oudheid kenden en ook de moderne renaissancepoëzie uit Frankrijk, Italië en de Nederlanden.

Toch wist Vos het ver te schoppen. Niet alleen werd hij vaak gevraagd gedichten te schrijven, hij was ook lange tijd directeur van de Amsterdamse Schouwburg en zijn twee tragedies werden daar met groot succes opgevoerd. Vos werd een centrale figuur in het culturele leven in Amsterdam.

Wat was het geheim van Vos’ succes? Hij wist de Amsterdamse regenten goed te bespelen. Zij hadden veel invloed en besloten bijvoorbeeld wie optochten mocht opluisteren met praalwagens en gedichten mocht schrijven bij belangrijke stedelijke happenings, wie de ramen mocht maken voor het stadhuis en wie benoemd zou worden als Schouwburgdirecteur. Vos probeerde zoveel mogelijk bij de regenten in het gevlij te komen door hun veel poëtische lof toe te zwaaien. Ook liet hij zien dat hij, zoals dat hoorde, sententies uit kon dragen met zijn poëzie. In een gedicht aan de regent Six legt hij uit hoe hij als Schouwburgdirecteur de Amsterdamse bestuurders en inwoners zal dienen.

Aan den Ed. Heer Kommissaris Mr. Joan Six (r. 1-24)
Na 1657
Vraagt gij, o Six! wat ik kan maken,
nu ik voor Hoofd ter Schouwburg tree?
Hier bouw ik hemelhoge daken,
daar breng ik vloten in de zee.
Oud Rome had in zeven jaren,
tot dertig keizers na elkaar.
Ik kies, dit zijn nog vreemder maren,
meer keizers in een enkel jaar.
Wie machtig is vertoont de blijken.
De noodigheid mag veel bestaan.
Mijn zorgen zijn voor arm en rijken;
door zorg bewaart men d’onderdaan.
Ik heb de staten in mijn handen.
Nu zet ik hoofden voor ’t gevecht:
’k ontwring de felste dwingelanden,
de schenners van het heilig recht,
tot schrik der quaên, de parelstaven,
en geef ze met hun gouden kroon,
aan d’allerminst’ van hunne slaven.
De deugd verkrijgt in ’t end haar loon.
Nu schep ik duivels voor de kwaden,
dan wijd’ ik weer een engelenstoet.
Ik wijs den Vorsten wijze Raden,
zo voeg ik ’t ambt naar elks gemoed.
Vraagt u, o Six!, wat ik allemaal kan doen,
nu ik directeur van de schouwburg ben?
Ik bouw hier daken tot in de hemel,
daar laat ik vloten te water.
In het oude Rome regeerden in zeven jaar
wel dertig keizers.
Ik neem, ja het zijn vreemde berichten,
nog meer keizers in één jaar.
Wie machtig is, toont dat ook.
Als het nodig is, kun je veel risico’s nemen.
Ik moet zorgen voor de armen en de rijken;
door zorg beschermt men de burgers.
Ik bepaal het lot van landen:
nu eens laat ik leiders met elkaar vechten,
ik ontneem de felste dictators,
die het heilige recht schenden,
hun parelstaven, tot schrik van de tirannen,
en geef ze samen met hun gouden kroon,
aan de allerlaagste onder hun slaven.
De deugd krijgt uiteindelijk wat zij verdient.
Een andere keer creëer ik duivels voor de tirannen,
dan stel ik weer een engelenstoet samen.
Ik geef de vorsten wijze raadgevers.
Zo dien ik met deze functie iedereen.

Met enkele regenten stond Vos op zo’n goede voet dat de relatie ondanks de sociale verschillen vriendschappelijke trekken kreeg. Voor de burgemeestersfamilie Huydecoper was hij een soort ‘huispoëet’. Hij droeg meer dan vijftig gedichten aan hen op bij huwelijken, verjaardagen en begrafenissen. Regelmatig werd Vos bij de Huydecopers thuis op het eten uitgenodigd of gevraagd voor een jachtpartij op het buiten van de familie. Toen vader Huydecoper in 1661 stierf, schreef Vos een lang grafgedicht (180 regels) waarin hij hem uitgebreid prees vanwege zijn betekenis voor Amsterdam. Daarnaast vertelde hij wat de oude Huydecoper voor hem persoonlijk betekend had:

Doodt-Bazuin (r. 167-175)
26 oktober 1661
Doodstrompet
Ik leg mijn dichtpen, nat geweend, bij hem in ’t graf,
want die mijn dichtpen stof om wel te dichten gaf,
verschept nu zelf in stof en wordt gedicht met stenen,
maar deze stof bestelt mijn ogen stof tot wenen.
O overwakkre Zoon, en Dochteren! Gedoog
dat ik mijn tranen met de tranen van uw oog,
in deze droeve stand, al schreiend mag deurmengen:
heb ik mijn lach, in vreugd, bij d’uwe mogen brengen?
Vergun dat ik, in rouw, uw smart verzel naar plicht:
gij mist uw vader, ik de luister van mijn dicht.
Waar geen Mecenen zijn versterven alle gunsten.
Ik leg mijn pen, nat van tranen, bij hem in het graf,
want hij die mijn pen stof gaf om lofdichten te maken,
wordt nu zelf tot stof, en zijn graf wordt gedicht met stenen,
maar van deze stof moeten mijn ogen huilen.
O dappere zoon en dochters! Sta toe
dat ik mijn tranen, met uw tranen
in deze droevige situatie huilend mag mengen:
ik mocht toch ook, in tijden van vreugde, met u lachen?
Sta toe dat ik, in rouw, uw smart begeleid zoals het hoort:
u mist uw vader, ik zijn roem in mijn gedichten.
Als er geen beschermheren zijn, verdwijnen alle gunsten.

Met de oude Huydecoper verloor Vos een belangrijke mecenas maar gelukkig was de rest van de familie er ook nog. Na het overlijden van Huydecoper sr. heeft Vos dan ook niets te klagen gehad. Zijn poëzie bleek een geschikt middel om een breed netwerk te onderhouden in de Amsterdamse regentenkringen.

Verder lezen
Dit portret van Vos, gemaakt door Karel Dujardin, stond afgedrukt in het tweede deel van Vos’ verzamelde gedichten, dat in 1662 verscheen. Het onderschrift is van Vondel.
Toen in 1726 het verzameld werk van Vos herdrukt werd, maakte Abraham Zeeman deze allegorische prent. Vos wordt erop gelauwerd (rechtsboven) en vier werken van zijn hand zijn rechtsonder afgebeeld.
Hier zie je het stukje van de Kalverstraat waar Vos vermoedelijk gewoond heeft. Het stond ter hoogte van het huidige pleintje voor de Regulierspoort, waar vroeger, nog voordat Vos er woonde, de Ossenmarkt gehouden werd. In Vos’ tijd werd het steeds meer een koopmansbuurt, zoals te zien is aan de winkelpui bij een aantal huizen.