literatuurgeschiedenis.nl | de gouden eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Titia Brongersma - een noordelijke ster
Dokkum ca. 1650 - ? na 1687

Titia Brongersma ging haar eigen gang. Juist daarom weten we weinig van haar. Een bundel met gedichten is bijna het enige spoor dat ze naliet.

Over Titia Brongersma weten we niet veel. Ze werd rond 1650 in het Friese Dokkum geboren en ging later in Groningen wonen. Waarschijnlijk kwam ze uit de betere burgerkringen, waar kinderen een veelzijdige opvoeding kregen. Volgens haar vrienden kon Brongersma behalve schrijven bijvoorbeeld ook tekenen, schilderen, musiceren en zingen. Dit wijst op privé-onderwijs. Misschien heeft ze daar ook haar kennis opgedaan van de Nederlandse en Franse literatuur en de klassieke oudheid. Maar nog waarschijnlijker is dat ze veel kennis in haar eentje verworven heeft. Anders is het moeilijk te verklaren dat haar werk zoveel fouten bevat.

Alles wijst erop dat Brongersma een behoorlijk zelfstandige vrouw was. Ze bleef vrijgezel en kon daardoor tijd aan het schrijven besteden. Hoe ze aan de kost kwam is onbekend, maar kennelijk had ze geld genoeg om een dichtbundel van maar liefst 240 pagina’s te publiceren. In de zestiende en zeventiende eeuw kregen schrijvers meestal geen geld, maar moesten zij zelf hun uitgevers betalen om hun werk te laten drukken. Ook copyrights bestonden nog niet, dus van de verkoop had je geen inkomsten. In 1686 verscheen Brongersma’s De bron-swaen, of mengeldichten. Ze had daarvoor zelf het initiatief genomen, zo blijkt uit haar voorwoord. Dat was nogal ongewoon. Bij vrouwenbundels regelden vaak de echtgenoten of mannen uit de vriendenkring de contacten met een uitgever en schreven zij ook het voorwoord. De bundel staat vol fouten. Heeft Brongersma alles zelf gedaan en de teksten niet door anderen laten corrigeren?

In De bron-swaen staan veel gelegenheidsgedichten, een populair genre in de zeventiende eeuw. In 1685 maakte Brongersma een uitstapje naar het grote hunebed in Borger, toen al een toeristische trekpleister. Het bleef niet bij kijken. Een bevriende schrijver, Ludolf Smids, vertelde later in zijn boek Schatkamer der Nederlandsche oudheden (1711) hoe Brongersma ter plekke begon te graven:

En ziet! Zij ontdekt in het bijzijn van den jongen Heer Lenting (bij wiens vader zij was gehuisvest) voor eerst veel klene keizelstenen, straatgewijs tegenover malkanderen gezet. Hieronder stonden veel ronde potten, zeer ruw en plomp gevormd, bruinblauw of donkerrood van verf [kleur], sommige twee en sommige vier oortjes hebbende. Wat moeite zij ondertussen dede om zulk een askannetje geheel uit dezen hoop te lichten, zij vielen toch alle in scherven, alleenlijk een menigte doodbeenderen en as uitstortende. [Zij] werd deswegen genoodzaakt om met de roof van enige onkennelijke [onherkenbare] stukken en brokken zich te vergenoegen. Ondertussen, zoveel ik weet, is zij de allereerste geweest die het aardrijk onder deze keien heeft omgewroet. Waarlijk een daad om door de Dichtkonst vereeuwigd te worden!

Brongersma heeft er inderdaad een gedicht over geschreven, waarin ze zich afvraagt wat een hunebed eigenlijk is. Is het woord afgeleid van de Hunnen, het ooit zo machtige ruitervolk? Of hebben reuzen in een gevecht met de mythologische goden deze steenhoop opgestapeld, die daarna door de smid van de goden met een bliksemstraal vernietigd is? Of zijn het graftomben, zoals de piramiden? Ze besluit dat het een tempel voor Moeder Natuur is en eert die met een krans van eikenbladeren.

Lof op ’t hunenbed, of de ongemene, opgestapelde steenhoop te Borger in Drente
’k Sta als verbaasd deez’ steenmijt aan te schouwen.
’t Schijnt dat weleer het dappere Hunnenschap
daar heeft gewild een denk-plaats op te bouwen
om zo te streven op de eretrap.
Neen, ’t is gestapel waar een drom van reuzen
door wraak gehitst het godendom bestreed,
doch die men zag tot mortel zelfs verkneuzen
door ’t bliksemvuur van Mulciber gesmeed.
Of ’t zijn alleen getorste piramiden,
of tomben, want dit grove berggewas
besluit in haar gewelfsel van voortijden
nog, als bewijs, geheiligde offer-as.
Neen, ’t is veeleer Natura’s marmeren tempel,
waarin zij wil dat men haar godheid eert,
en aan de voet haars negentallige drempels
niets anders dan een lofgezang begeert.
Laat Thebe vrij nog pochen op haar muren,
die schier in ’t hoog bereikten ’t wolkgespan,
dit rotsgevaart zal langer kunnen duren.
Geen kracht, hoe groot, haar force kwetsen kan.
Kom nimfjes, en gij Drentse herderreien!
Bepronk met loof dit Borger steenpaleis!
Wil top en kruin met bloemen overspreien.
Schenk aan Natuur daarvan haar deel en eis.
Ik neurie dan met hese en schorre tonen
(’t zij wat het wil) tot roem der wondre grot
een loflied en bereid de eiken kronen,
waarmee ’k bepruik het grote keienslot.

De titel De bron-swaen, of mengeldichten, verwijst naar Brongersma zelf. Het woord bronzwaan betekent letterlijk: zwaan die komt drinken bij een bron. Een ‘zwaan’ is een veel gebruikte metafoor voor een dichter. De bron is de Hippocrene uit de Griekse mythologie, op de dichtersberg Helicon. Volgens het mythologische verhaal gaf het water uit de Hippocrene schrijvers inspiratie voor hun werk. De ondertitel mengeldichten was in de zeventiende eeuw de gewone aanduiding voor gedichten over allerlei onderwerpen. In dit geval is de variatie groot: naast de gelegenheidsgedichten zijn er onder andere dialogen op rijm tussen herders (in het Fries) en lofdichten op beroemde vrouwen uit de geschiedenis. Veel aandacht trekken ook de lofdichten op mannen en vrouwen uit haar eigen omgeving en een aantal opmerkelijk emotionele gedichten voor vrouwen. Wie al die bezongen personen waren is nog niet achterhaald.

Brongersma kreeg in de noordelijke provincies veel lof toegezwaaid. Schrijvers als Adriaan Tymens uit Leeuwarden en Ludolf Smids uit Groningen riepen haar uit tot Friese Sappho. Ook al was die verwijzing een compliment dat schrijfsters al gauw kregen, nu waren er wel redenen voor. Brongersma had duidelijk talent en aarzelde ook niet om haar eigen gang te gaan. Toch schreef ze bescheiden over zichzelf dat ze alleen maar dorre en schorre klanken kon uitbrengen. Dat zal ze wel niet hebben gemeend, maar in de Gouden Eeuw hoorden vrouwen zich nu eenmaal niet teveel op de borst te kloppen.

Verder lezen
Het hunebed bij Borger waarover Brongersma in 1685 een gedicht schreef.