literatuurgeschiedenis.nl | de gouden eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Katharina Lescailje - dichteres en uitgeefster
Amsterdam 26 september 1649 - Amsterdam 8 juni 1711

Katharina Lescailje was een van de bekendste dichteressen van haar tijd. Van jongs af aan leefde ze tussen de boeken, want haar ouders hadden een uitgeverij in het hartje van Amsterdam. In hun drukbezochte winkel ‘huis onder het zeil’ op de Middeldam (de huidige Dam) liepen kunstliefhebbers in en uit. Naast poëziebundels waren er ook toneelstukken te koop omdat vader Lescailje de officiële Schouwburgdrukker was.

Alle kinderen uit het gezin Lescailje werkten in de zaak en verdienden later ook hun brood in het boekenvak. Dat vader Lescailje het bedrijf niet aan de twee zoons maar aan de drie dochters naliet, kwam omdat de ene zoon vroeg overleed en de andere geen succesvol zakenman was. Vanaf 1679 hadden Katharina en Aletta de leiding, samen met de echtgenoot van de derde zus Barbara, de Duitse boekbinder Matthias de Wreedt.

Katharina woonde heel haar leven boven de winkel op de Middeldam. Ze trouwde niet, waarom is niet bekend. Mogelijk is een relatie stukgelopen, zoals het wanhopige liefdesverdriet in een paar gedichten suggereert. Misschien was de liefde een ingewikkeld punt voor haar: er zijn ook gedichten waarin ze lesbische gevoelens lijkt te willen beschrijven. Homoseksualiteit was in de zeventiende eeuw strafbaar, dus een openlijke lesbische relatie zou zeker niet mogelijk zijn geweest. Dat ze als alleenstaande vrouw een winkel runde, was in elk geval niet ongewoon. Ze was lang niet de enige.

Lescailje begon vroeg te schrijven en haar talent werd al snel erkend. Volgens de biografische schets die haar erfgenamen na haar dood opstelden, mocht ze als kind van een jaar of tien op bezoek bij de beroemde schrijver Vondel. Hij prees haar gedichtjes en moedigde haar aan te blijven oefenen. Dat deed ze: ze schreef heel veel gelegenheidsgedichten en vertaalde verder zeven tragedies uit het Frans. Al dat werk werd gedrukt in het driedelige monument dat haar erfgenamen in 1731 voor haar oprichtten: De Tooneel- en mengelpoëzy. Het was de eerste Nederlandse verzamelbundel met het werk van een vrouw.

Eén van de drie delen geeft het toneelwerk, de andere twee de poëzie. Zoals gebruikelijk zijn de gedichten in thematische categorieën geordend. Er zijn ‘staatsgevallen’ (politieke poëzie), ‘lofdichten’ (op artistieke prestaties van anderen), ‘afbeeldingen’ (portretgedichten), ‘verjaargedichten’, ‘huwelijkszangen’, ‘lijk- en grafdichten’, ‘stichtelijke gedichten’ (over godsdienstige thema’s) en ‘mengeldichten’ (over allerlei onderwerpen). Uit de namen van de personen aan wie de poëzie gericht is, wordt duidelijk welke contacten Lescailje had. Dit is een bekend verschijnsel bij gelegenheidspoëzie.

Onder de aangeschrevenen zijn ook andere auteurs, zoals Cornelia van der Veer, een vriendin waarmee Lescailje regelmatig gedichten uitwisselde. Ook Vondel is erbij. Hij krijgt bij zijn verjaardag – waarschijnlijk op 17 november 1674, toen hij 87 werd – een korte felicitatie. Lescailje wil ermee zeggen dat hij in zijn ouderdom nog steeds zo sterk is als vroeger. Vondel had in 1654 van zijn collega’s een lauwerkrans gekregen, het klassieke eerbewijs voor schrijvers. Deze bloeit nog steeds:

Noch bloeit en groeit, gelijk bij lente- en zomertijd,
op ’s herftsgeboortedag in ’t grijze winterleven,
een lauwerkroon, wiens glans en heerlijkheid nooit slijt,
om ’t Hoofd der Kunst, door hem ten top geheven.
Nog steeds bloeit en groeit, zoals in de lente en de zomer,
op de herfstelijke verjaardag in dit grijze winterleven,
een lauwerkrans, waarvan de prachtige glans nooit vergaat,
om dit Hoofd van de Kunst, die hij naar de top heeft gebracht.

Vondel was Lescailjes grote voorbeeld. Ze imiteerde zijn werk heel vaak, bijvoorbeeld het gedicht Kinder-lyck, over de dood van zijn zoon Constantijntje. Het ritme van dat gedicht en soms ook de woordkeus gebruikte Lescailje in verschillende versjes voor kinderen. Een voorbeeld is het verjaarsgedicht voor Helena van Zon, uit mei 1690:

Op het eerste verjaren van jongkvrouwe Helena van Zon
Blonde Leentje, zoete bekje,
die in ’s aanschijns ommetrekje,
in het tedere gelaat, schoner als de dageraad,
geeft, met grote hoop te lezen
hoe volmaakt uw glans zal wezen,
hoe beminnelijk, hoe groot,
als uw schone naamgenoot -
stralende uit uw lodd’re lichtjes
duizend onweêrstaanb’re schichtjes,
waarmeê gij op enen stond
lichtlijk duizend harten wondt,
duizenden, met duizend pijnen
laat om uw volmaaktheid kwijnen.
Gaat het naar mijn profecij
op uw eerste jaargetij,
’k zie u vol aanvalligheden,
reeds van ieder aangebeden,
en een goddelijken geest
in een welgemaakte leest,
waar de rozen op de kaken
onverwelkbaar bloeien, blaken.
’k Zie uw minnelijken mond
frisser als den morgenstond,
hemelval en honing slippen,
van uw lieve en lekk’re lippen,
en vrouw moeders hart verheugd
om uw gaven, geest en deugd,
waar ze in u, van elk geprezen,
ziet haar eigen zelf verrezen,
haar verloren jeugd bepaald,
en met woeker ingehaald.
Dan zal u mijn Zangster groeten,
en op hoger toon ontmoeten,
en uw eerste levenslicht
schoner blinken in mijn dicht.

Lescailje gaf in haar gedichten vaak belerende adviezen voor sociaal gedrag. Volgens haar was de ideale burger uit de Republiek eerlijk, vroom, trouw en opgewekt.

Verder lezen
Bestraald door de hemelse lier van de dichtersgod Apollo krijgt Lescailje een lauwerkrans en een dichtveer aangereikt. Penseeltekening van Nicolaas Verkolje.