literatuurgeschiedenis.nl | de gouden eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Thomas Asselijn - een vrije jongen
Dieppe (Frankrijk) circa 1620 - Amsterdam juli 1701

Literatuur die direct inspeelt op actuele situaties lokt vaak reacties uit. Als het hoog oploopt, blijft de naam van de schrijver al gauw verbonden met die ene titel. Dat gebeurde ook met de komedie Jan Klaaz of gewaande dienstmaagt uit 1682. Het was een vlijmscherpe hekeling van bepaalde godsdienstige kringen in Amsterdam. Een tijdelijk verbod was het gevolg. De schrijver, Thomas Asselijn, bleef vooral om dit toneelstuk bekend.

Thomas Asselijn werd geboren in Dieppe (Normandië), rond 1620. Vanwege hun protestantse geloof vluchtten zijn ouders naar de Nederlandse Republiek waar de godsdienstkeuze officieel vrij was. Asselijn ging graag zijn eigen gang, ook als dat tegen algemene gewoonten indruiste. Dat blijkt bijvoorbeeld uit zijn beide huwelijken. De eerste keer trouwde hij met een vrouw die dertien jaar ouder was; toen hij na negen jaar weduwnaar werd, trouwde hij met een vrouw die achttien jaar jonger was. In zaken ging het hem niet altijd goed: hij was eerst boekbinder, later zelfstandig verver van karmozijn (een bepaald soort textiel), maar ging in 1678 failliet. Misschien was hier oneerlijke concurrentie in het spel en zinspeelde hij hierop in zijn toneelstuk Jan Klaaz. Zelf heeft hij dat laatste altijd ontkend.

Wat Asselijn wist van kunst en literatuur had hij zichzelf aangeleerd. In zijn ogen was uitgebreide scholing niet nodig: wie talent had, kon zelf wel ontdekken hoe je daar succesvol mee om kon gaan. Slaafse navolging van voorbeelden leidde tot saaie kunst: levensechtheid was veel belangrijker. Die vrije opvatting deelde Asselijn met de vroegere Schouwburgdirecteur Jan Vos maar plaatste hem lijnrecht tegenover de dominante toneelstroming in de jaren zeventig: het Frans-classicisme van Nil volentibus arduum (Voor wie wil is niets moeilijk). Dat gezelschap controleerde alle toneelstukken streng op de voorschriften van het classicisme dat uit Frankrijk overgewaaid was. Die voorschriften kwamen neer op waarschijnlijkheid, overzichtelijkheid en concentratie van de verhaalstof en nadruk op deugdzaam, fatsoenlijk gedrag. Bovendien mocht een stuk niet over de actuele wereld van de toeschouwers gaan.

Aan al die zaken had Asselijn lak toen hij in 1682 met Jan Klaaz of gewaande dienstmaagt kwam. De komedie speelde in hartje Amsterdam (bij het Kattengat) en voerde een herkenbare groep Amsterdammers op, namelijk de doopsgezinde Broederschap. Asselijn had het verhaal zelf verzonnen, met gebruik van bekende humoristische ingrediënten, zoals geld (rijkdom en gierigheid), huwelijk (de gewenste en ongewenste partner; de dominante echtgenote en de brave, maar sullige echtgenoot); gedrag (hier vooral godsdienstig: schijnheiligheid in plaats van ware vroomheid); persoonsverwisseling (travestie) en taalgebruik (dialect, stopwoordjes).

Het verhaal is simpel. Zaartje Jans, een vrolijk en assertief meisje mag niet trouwen met haar vriend Jan Klaaz, die al drie keer om haar hand heeft laten vragen. Hij heeft geld genoeg en komt ook uit doopsgezinde kring, maar Zaartjes ouders vinden hem te vrijmoedig. Zij willen de spaarzame, serieuze Reinier Adriaensz en stemmen in als twee ouderlingen namens hem een aanzoek doen. Nu moet Reinier zelf met Zaartje contact maken, maar hij weet zich geen raad met zijn liefdesgevoel. Zijn lichaam (het vlees) wil iets waartegen zijn geest strijdt. Zaartje gruwt van hem en pepert dat flink in:

Reinier
Hoe ist, nog tamelijkjes?
Zaartje
     Dat gaat zo wel wat heen.
Reinier
Zo, zo. Vader en Moeder zijn ze nog wat hartelijkjes met ’r beijen?
Zaartje
Ja zo wat aan de knorrige kant, tussen lachen en schreien.
Reinier
Zo, zo; Vader het al een harde stoot ehad, is hij nou weer wat mooi op zijn stel?
Zaartje
Redelijkjes.
Reinier
Zo, zo; Moeder pleeg vrij wat doofachtig te wezen, hoe ist, hoort ze nou weer redelijk wel?
Zaartje
Dat ken wel gaan.
Reinier
Zo, zo, wat het ’t van dezen dag gestormd! En wat heeft de wind sterk en fel geblazen!

Na nog wat gebabbel begint Reinier over hen tweeën, maar Zaartje zegt klip en klaar dat ze niets voor hem voelt. Reinier vat dat op als een gunstig teken want hij wil liever een geestelijk dan een lichamelijk huwelijk. Zaartje raadt hem laxeermiddelen aan zodat zijn geest eruit kan, want geen enkele vrouw wil zoiets. Háár geest getuigt en besluit nu dat ze hem niet meer wil zien. Met een laatste ‘zo, zo’ druipt de onhandige Reinier af.

Zaartje en Jan Klaaz verzinnen een list: Jan verkleedt zich als vrouw, wordt het nieuwe dienstmeisje en slaapt bij Zaartje op de kamer. De volgende ochtend wordt het bedrog ontdekt, maar dan is Jan niet meer te passeren als bruidegom.

Eind goed, al goed, zo lijkt het. Het stuk werd met luid gelach ontvangen, dat wil zeggen: in de Schouwburg, buiten de doopsgezinde kring. De doopsgezinden waren een geïsoleerde groep binnen de protestantse kerk. Ze leefden volgens de idealen die Christus had uitgedragen: naastenliefde, vreedzaamheid en soberheid. Maar de buitenwacht wantrouwde hun zwarte kleding en zag dat ze rijke handelaren waren. Men vond hen onbetrouwbaar en schijnheilig: met oneerlijke handel persten ze andere mensen af en binnenshuis namen ze het niet zo nauw, zo werd gedacht.

Een reeks pamfletten volgde, zowel voor als tegen het stuk. Ze hadden allemaal ‘Zo, zo’ als leus – dat stopwoordje ging rond in Amsterdam. Het stuk werd voorlopig verboden. Asselijn betoogde echter met succes dat hij geen specifieke personen bedoeld had, maar het stuk had verzonnen en algemene komische technieken gebruikt had die ook Bredero en Hooft toegepast hadden. Er kwamen nog drie vervolgen over Zaartje en Jan, waarin Asselijn het huwelijk grandioos laat mislukken en Jan een oneerlijke zakenman blijkt. Met die opmerkelijke wending wilde hij misschien nog eens laten zien hoe onbetrouwbaar de doopsgezinden waren, ze geven hun slechte gewoonten door aan hun kinderen.

Asselijn schreef nog veel meer toneelstukken, zowel komische als ernstige. Ook hierin ging hij zijn eigen gang. Hij bracht liever spektakel waar het publiek graag naar keek dan eindeloze dialogen zonder veel actie. Zijn grote talent lag bij het visualiseren. Hoewel hij ook opzien baarde met Op- ende ondergang van Mas Anjello of Napelse beroerte (1668) en De dood van de graaven Egmond en Hoorne (1685) verboden werd, haalde hij nooit meer het succes van Jan Klaaz.

Verder lezen
De ouders van Zaartje ontvangen twee ouderlingen die Reinier als schoonzoon aanprijzen. De hoeden zijn bedoeld als typisch doopsgezind kledingstuk.