literatuurgeschiedenis.nl | de gouden eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    

Op 26 december 1637 zou in Amsterdam een nieuw theater geopend worden met Joost van den Vondels toneelstuk Gysbreght van Aemstel. Het gerucht ging echter dat in dit stuk propaganda werd gemaakt voor het katholicisme en de ongeruste calvinistische kerkenraad wilde dat het stadsbestuur de voorstelling verbood. De opening werd een week uitgesteld. Vondel moest intussen de katholieke scènes schrappen. Het stuk trok volle zalen en bleef tot diep in de twintigste eeuw Nederlands beroemdste drama.

Gysbreght van Aemstel en de Amsterdamse Schouwburg
In een tijdperk zonder wereldwijde media was het toneel een geschikt middel om ideeën te verspreiden. Stadsbesturen en predikanten hielden de theaterwereld dan ook scherp in de gaten.

Er werd al eeuwenlang toneel gespeeld, maar nog nooit was er in de Zuidelijke of Noordelijke Nederlanden een theater gebouwd. Voor Amsterdam ontwierp architect Jacob van Campen een gebouw met moderne snufjes, zoals draaibare decorschermen en een liftmachine. De naam Schouwburg werd door Vondel bedacht, een nieuw Nederlands woord dat letterlijk ‘kijkplaats’ betekende. Met dit theater kon de stad pronken. Er waren twee voorstellingen per week, die gemiddeld 500 mensen trokken. Een toegangskaartje kostte tussen zes en twaalf stuivers (nu zou dat ongeveer 10 tot 20 euro zijn); de opbrengst ging, na aftrek van de kosten, naar de armenzorg in de stad.

Nieuwsgierig kwam een groot publiek op het openingsstuk Gysbreght van Aemstel af. Vondel had een beroemd thema gekozen: de verwoesting van het, toen nog katholieke, Amsterdam rond 1300. Een groep edelen nam zo wraak op de Amsterdamse kasteelheer Gysbreght van Aemstel voor de moord op hun heer, graaf Floris V. Gysbreght was volgens hen een van de hoofdschuldigen, hoewel hij het daar niet mee eens was omdat hij ongewild bij de moord betrokken zou zijn geweest.

Het stuk speelt op de dag en de nacht voor kerstmis. Omdat de belegering van de stad niets oplevert, heeft de vijand een list verzonnen. De troepen trekken zogenaamd weg en laten een schip voor de stadswal achter, zo te zien vol met hout. Een spion haalt Gysbreght over het schip naar binnen te laten varen – in de winterkou is het hout welkom. Terwijl iedereen in de kerk de kerstnacht viert, komen er uit het schip echter soldaten tevoorschijn die de stadspoorten openen. Met veel geweld wordt de stad ingenomen, waarbij leden van het geslacht Aemstel bruut vermoord worden. Aanvoerder Gysbreght wil zich doodvechten ondanks de protesten van zijn vrouw Badeloch. Uiteindelijk gaat hij toch in ballingschap, met zijn gezin en een groep Amsterdammers, omdat de engel Rafaël, die spectaculair met een liftinstallatie uit de hemel is afgedaald, dat namens God beveelt. Rafaël voorspelt aan het slot van het stuk dat Amsterdam zal herrijzen als een machtige koopmansstad (r. 1823-1896).

Rafaël
O Gysbreght, zet getroost uw schouders onder ’t kruis
u opgeleit van God. ’t Is al vergeefs dit huis
verdadigd; hadden wij ’t in ons behoed genomen
’t en waar’ met Amsterdam zo verre nooit gekomen:
dus wederstreef niet meer uw trouwe gemalin.
Verlaat uw wettig erf, en kwel u nergens in.
Al leit de stad verwoest, en wil daarvan niet ijzen:
zij zal met groter glans uit as en stof verrijzen
want d’ Opperste beleidt zijn zaken wonderbaar.
De Hollandse gemeent’ zal, eer driehonderd jaar
verlopen, zich met macht van bondgenoten sterken
en schoppen ’t rooms autaar met kracht uit alle kerken,
verklaren ’t graaflijk hoofd vervallen van zijn recht,
en heersen staatsgewijs; hetwelk een bits gevecht
en eindelozen krijg en onweer zal verwekken,
dat zich gans christenrijk te bloedig aan wil trekken.
In ’t midden van den twist, en ’t woeden nimmer moe,
verheft uw stad haar kroon tot aan den hemel toe,
en gaat door vier en ijs een andre wereld vinden,
en dondert met geschut op alle vier de winden.

Gysbreght
Nu buig ik mij voor God, mijn lief, mijn uitverkoren,
nu weiger ik geenszins naar uwen raad te horen,
en leg hier ’t harnas af. Hier baat geen tegenweer:
nu God dit huis verlaat en geldt er zwaard noch speer.
Al ’t volk ga voor, dan ’t lijk, en niemand hoef te vrezen,
ikzelf met mijn gezin zal d’ allerleste wezen.

Vluchtelingen
                                   Helaas! Hoe bitter valt
het scheiden van zijn land, waar alles loopt verloren!

Broer Peter
De liefde tot zijn land is ieder aangeboren.

Badeloch
Verdelgde stad, wij gaan, en komen nimmer weer.

Gysbreght
Vaarwel, mijn Amsterland, verwacht een’ andren heer.

Het publiek begreep dat die voorspelling uitgekomen was. Die stad was het huidige Amsterdam, en de les dat je altijd op God moeten vertrouwen, gold dus nog steeds. Wie verstand had van literatuur begreep bovendien dat Vondel hier de regels voor een klassieke tragedie gevolgd had. Verder paste hij de imitatio-techniek toe: het verhaal vertoonde veel overeenkomsten met de Aeneis, Vergilius’ relaas over de ondergang van Troje (uit de eerste eeuw na Chr.). Behalve een imitatio was Gysbreght van Aemstel ook een aemulatio omdat Vondel met de verwijzingen naar Christus’ geboorte in de kerstnacht aan het verhaal christelijke elementen had toegevoegd. Zo’n element is het kerstlied van de Amsterdamse nonnen na het derde bedrijf. Zij weten dat ze door de soldaten verkracht en vermoord gaan worden. Vondel vergelijkt hun situatie met die van Christus, die vlak na zijn geboorte al door koning Herodes bedreigd werd. Het lied wordt in de christelijke kerken nog steeds gezongen.

Rey van Klaerissen
O kerstnacht schoner dan de dagen,
hoe kan Herodes ’t licht verdragen,
dat in uw duisternisse blinkt
en wordt gevierd en aangebeden?
Zijn hoogmoed luistert naar geen reden,
hoe schel die in zijn oren klinkt.
Verder lezen
Het interieur van de Schouwburg, ontworpen door Jacob van Campen. Gravure van S. Savery.
Ank van der Moer (Badeloch) en Han Bentz van den Berg (Gysbreght) gaan scheep om Amsterdam te verlaten. Opvoering uit 1954.
De Schouwburg in 1653. Schilderij van Hans Jurriaensz. van Baden.