literatuurgeschiedenis.nl | de gouden eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    

Weinig auteurs waren zo fanatiek als Vondel. Hij schreef veel en liet zijn mening duidelijk horen. Zijn werk zorgde voor opschudding en werd soms zelfs verboden. Maar daar trok hij zich weinig van aan: voor hem moest kunst over normen en waarden gaan.

Joost van den Vondel, de prins der dichters
Zijn collega’s noemden hem ‘de prins der dichters’ want in hun ogen was hij de beste. Joost van den Vondel werd de beroemdste schrijver uit de Gouden Eeuw.

Het moet ongeveer in 1660 geweest zijn dat de vurige wens van een Amsterdams meisje van een jaar of tien in vervulling ging. Katharina Lescailje mocht op bezoek bij de beroemde Joost van den Vondel, die haar gedichtjes gelezen had. De grijsaard, al over de 70, moedigde haar vriendelijk aan ‘tot verdere Dichtoefening’. Lescailje kon op dat moment geen woord uitbrengen maar dacht later vaak aan die aansporing terug.

Vondel was al in zijn eigen tijd erg beroemd. In zijn lange leven (Keulen, 17 november 1587 - Amsterdam, 5 februari 1679) heeft hij veel gebeurtenissen uit de Gouden Eeuw becommentarieerd. Zelf kwam hij uit een protestants milieu, maar rond 1640 koos hij voor het katholicisme. Financieel ging het hem als kousenhandelaar goed, tot zijn zaak failliet ging en hij afhankelijk werd van een baantje bij de Amsterdamse Bank van Lening (de lommerd). Daar mocht hij onder werktijd schrijven – een uitzonderlijke situatie. Onder collega’s gold hij als de ‘prins’ der dichters, met een verwijzing naar het Latijnse woord ‘princeps’: belangrijkste.

Politieke en godsdienstige onderwerpen komen regelmatig in zijn werk voor. Ook schreef hij veel over Amsterdam, bijvoorbeeld een lofdicht bij de inwijding van een nieuw Stadhuis, het tegenwoordige Paleis op de Dam (1655). Met dat soort gelegenheidsgedichten kon je behoorlijk bijverdienen. Dat lukte Vondel echter maar matig, omdat zijn scherpe pen gewantrouwd werd.

Hij koos vaak duidelijk partij. Nadat raadpensionaris Johan van Oldenbarnevelt in 1619 als ‘landverrader’ onthoofd was, beschuldigde Vondel in het toneelstuk Palamedes of Vermoorde onnooselheit (onschuld) juist Oldenbarnevelts tegenstander, prins Maurits van Oranje Nassau, van landverraad. Omdat dat zeker voor opschudding zou zorgen, nam de schrijver voorzorgsmaatregelen. Hij verpakte de boodschap in een allegorisch verhaal [noot: een verhaal met een tweede betekenislaag; de personages en metaforen staan voor personen en gebeurtenissen uit de werkelijkheid] over de Trojaanse oorlog, publiceerde het stuk pas na Maurits’ dood in 1625 én anoniem. Toch werd al gauw bekend wie de auteur was. Vondel moest een boete van 300 gulden betalen en het boek werd verboden. Nu wilde natuurlijk iedereen het lezen; er verschenen illegale herdrukken. De schrijver bleef intussen bij zijn mening: jaren later maakte hij nog de felle hekeldichten Geuse Vesper en Het stockske.

Het stockske van Johan van Oldenbarnevelt, Vader des Vaderlants
Mijn wens behoede u onverrot,
o stok en stut, die geen verrader,
maar ’s vrijdoms stut en Hollands Vader
gestut hebt op dat wreed schavot,
toen hij voor ’t bloedig zwaard moest knielen,
veroordeeld als een Seneca
door Nero’s haat en ongena,
tot droefenis der braafste zielen.
Gij zult nog jaren achtereen
den uitgang van dien held getuigen,
en hoe Geweld het Recht dorf buigen,
tot smaad der onderderdrukte steên.
Hoe dikwijls strekt’ gij onder ’t stappen
naar ’t hof der Staten stadig aan
hem voor een derden voet in ’t gaan
en klimmen op de hoge trappen,
als hij, belast van ouderdom,
papier en schriften, overleende
en onder ’t lastig landspak steende!
Wie ging, zo krom gebukt, nooit krom!
Gij ruste van uw trouwe plichten
na ’t rusten van dien ouden stok,
geknot door ’s bloedraads bitt’ren wrok –
nu stut en stijft gij nog mijn dichten.

Omdat hij uit een eenvoudig milieu kwam, kreeg Vondel geen uitgebreide scholing. Hij spijkerde zelf zijn kennis van Latijn en Grieks bij, zodat hij klassieke teksten kon lezen. De Amsterdamse professor Vossius gaf hem les in de kunsttheorieën van de Romein Horatius en de Griek Aristoteles. Naar het voorbeeld van Horatius schreef Vondel in 1650 zelf een korte handleiding voor beginnende dichters, Aenleidinge ter Nederduitsche dichtkunste. De grondgedachte daarin was: ‘De natuur baart de dichter, de kunst voedt hem op’. Een goede kunstenaar wordt met talent geboren en moet dat ontplooien met ‘kunst’: retorische schrijfoefeningen en kennis. Dit was precies het advies dat hij aan Katharina Lescailje gaf.

Vondel wilde een Nederlandse literatuur die niet onder deed voor de Latijnse of Griekse en waarin de christelijke waarden op de voorgrond stonden. Hij beoefende bijna alle literaire genres die Nederland in de renaissance kende: emblemen, gedichten, liederen, toneelstukken en het epos. Zijn retorisch talent kwam goed van pas, zoals in het beroemde gedicht Kinder-lyck, bij de dood van zijn zoontje Constantijn, dat nog geen jaar oud was (1632).

Kinder-lyck
Constantijntje, ’t zalig kijntje,
cherubijntje, van omhoog
d’ ijdelheden hier beneden
uitlacht met een lodderoog.
Moeder, zeit hij, waarom schreit gij,
waarom greit gij op mijn lijk?
Boven leef ik, boven zweef ik,
engeltje van ’t hemelrijk.
En ik blink er, en ik drink er
’tgeen de schinker alles goeds
schenkt de zielen, die daar krielen,
dertel van veel overvloeds.
Leer dan reizen met gepeizen
naar paleizen, uit het slik
dezer werreld, die zo dwerrelt.
Eeuwig gaat voor ogenblik.

Het drama had Vondels speciale belangstelling. Hij schreef veel tragedies, of, in het zeventiende-eeuws: treurspelen. Hij schreef er maar liefst 26 en vertaalde er nog eens 8. Het beroemdst werden Gysbreght van Aemstel en twee stukken over bijbelse verhalen: Lucifer (1653) en Jeptha (1659). Lucifer werd na twee opvoeringen verboden. Het verhaal over de opstandige engelen die God aanvielen speelde in de hemel en dat vond de calvinistische kerkenraad ontoelaatbaar. Jeptha, over de oudtestamentische rechter die zijn dochter doodde om zijn belofte aan God te houden, vond Vondel zelf zijn beste drama. Dat veel mensen zijn werk moeilijk en saai vonden, kon hem niet zoveel schelen. Het ideaal van een grootse literatuur ging voor hem boven gemakkelijke leesbaarheid.

Verder lezen
Vondel op ongeveer 53-jarige leeftijd. Gravure van Theod. Matham naar een tekening van Joachim Sandrart.
Het gedicht Het stockske in Vondels handschrift, samen met de vermoedelijke wandelstok van Johan van Oldenbarnevelt.