literatuurgeschiedenis.nl printen
De Amsterdamse rederijkerskamers
In de Amsterdamse Nes, waar tegenwoordig het Vlaams cultureel centrum De Brakke Grond staat, stond rond 1600 de Margrietkapel. Katholieke kerken werden tijdens de oorlog met Spanje geconfisceerd door de Nederlandse opstandelingen. D'Eglentier huurde de zolder als clubhuis en hing er de vlag uit. Helemaal links staat het geboortehuis van Bredero.

Vooral de Hollandse rederijkerskamers voerden in de late zestiende eeuw vernieuwingen door. Zij gingen mee in de denkbeelden van het humanisme. Zoals vaak speelde Amsterdam ook hier een hoofdrol. Hendrik Spiegel, de leider van de kamer D’Eglentier (de wilde roos), nam het initiatief om de Nederlandse taal te ontwikkelen. Hij schreef in 1584 de eerste grammatica van het Nederlands, in dialoogvorm: de Twee-spraack vande Nederduitsche letterkunst. Spiegel was ook de coach van Pieter Hooft, die zijn carrière in D’Eglentier begon, net als dat andere grote talent: Gerbrand Bredero.

Na 1600 maakte de beslotenheid van de kamers plaats voor meer openbaarheid. Bij toneelvoorstellingen openden ze de deuren voor betalend publiek. Dat stroomde toe, maar dit succes bracht ruzie onder de kamerleden. Hooft en Bredero wilden steeds meer nieuwe snufjes in hun gedichten en toneelstukken doorvoeren, maar anderen klaagden dat het zo veel te moeilijk werd en dat oude gewoonten verloren gingen. Ten slotte pakten Hooft en Bredero hun biezen en begonnen samen met Samuel Coster een nieuw theater: de Eerste Nederduitse Academie.

D’Eglentier werd ook de ‘oude’ kamer genoemd, omdat het de club van de ‘echte’, geboren en getogen Amsterdammers was. Zoals overal in Holland richtten zuidelijke vluchtelingen ook in Amsterdam een nieuwe kamer op, die de bijnaam de ‘Brabantse’ kreeg, een verwijzing naar de herkomst van de leden. De echte naam van deze kamer was Het Wit Lavendel, naar zuidelijke gewoonte een bloemennaam. Joost van den Vondel begon rond 1610 zijn loopbaan in deze kamer, maar de eerste jaren trad hij nog niet op de voorgrond. Tot 1619 – het jaar waarin in het noorden nog net geen burgeroorlog uitbrak – was de hoofdrol in de Brabantse kamer weggelegd voor Abraham de Koning, een Antwerpenaar die voor de kamer maar liefst negen toneelstukken schreef.