literatuurgeschiedenis.nl printen
Rederijkerskamers in het zuiden
Het blazoen van de rederijkerskamer De witte angieren uit Haarlem.

In het zuiden waren heel wat rederijkerskamers actief, vooral in de vijftiende en zestiende eeuw. Deze kamers hadden vaak bloemen- of plantennamen, zoals De Roos (Leuven), Het Kersouwken (madeliefje; Nieuwpoort), De Leliebloeme (Diest), De Jenettebloem (narcis; Lier), De Olijftak (Antwerpen) en De Violieren (Antwerpen), maar ook namen als De Fonteine (Gent) of Den Boeck (Het Boek of De Bijbel; Brussel) kwamen voor.

Tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) kregen de zuidelijke kamers het zwaar te verduren. Toen de Spaanse troepen in 1585 Antwerpen innamen en het rooms-katholicisme in het zuiden de enig toegestane godsdienst werd, vertrokken heel wat rederijkers naar het noorden, waar ze nieuwe kamers oprichtten, zoals in Amsterdam, Leiden of Haarlem. Maar de Spaanse en katholieke overheden in het zuiden bleven de rederijkerskamers als haarden van ketterse ideeën zien. Daarom traden ze in de tweede helft van de zestiende eeuw steeds strenger op tegen de rederijkers. Maatschappijkritiek en politieke of religieuze discussies waren uit den boze, en religie mocht alleen aan bod komen om een moraliserende les te vertellen.

Door de strenge controle werden opvoeringen op straat steeds moeilijker. Daarom trokken de rederijkers zich terug in speelzaaltjes. Echte schouwburgen waren te duur voor hen. Ze konden commercieel niet op tegen de concurrentie van rondtrekkende, professionele gezelschappen en van het schooltoneel van de jezuïeten.

Tot de bekendste zuidelijke rederijkers uit de periode 1550-1700 behoren Cornelis van Ghistele (circa 1510-1573), Jan Baptist Houwaert (1533-1599), Willem van Nieuwelandt (1584-1635), Michiel De Swaen (circa 1610-1673), Willem Ogier (1618-1689) en zijn dochter Barbara (1648-1720).

In de loop van de zeventiende eeuw werden de rederijkers minder actief, maar heel wat kamers zouden het toch tot tegen 1800 volhouden. In de negentiende en twintigste eeuw leefde een aantal kamers op. Hoewel ze niet meer zo bepalend zijn voor het literaire leven als hun voorgangers uit de vijftiende en zestiende eeuw, zijn ze tot op de dag van vandaag actief.