literatuurgeschiedenis.nl | de gouden eeuw

Ziekte en dood sloegen in de zeventiende eeuw harder toe dan vandaag, omdat de medische wetenschap het menselijk lichaam nog niet zo goed kende als nu. Voor ziekten als de pest en kanker waren er nog geen medicijnen, maar dat wil niet zeggen dat je meteen kansloos was als je je niet goed voelde. Het zeventiende-eeuwse medische systeem, dat voortbouwde op de humeurenleer uit de klassieke oudheid, opende in veel gevallen de weg naar genezing.

Ziek of gezond – over de humeuren

In de klassieke oudheid ging men ervanuit dat het heelal – de grote wereld of macrokosmos genoemd – uit vier elementen bestond: lucht, vuur, aarde en water. De mens, die de kleine wereld of microkosmos was, bestond uit precies dezelfde elementen. Ze waren in het lichaam aanwezig in fysieke vorm: de lucht in heel fijne dampen, het vuur als natuurlijke warmte, de aarde in het vlees en de beenderen, het water in de hersenen. Verder zaten de elementen ook in vier verschillende sappen die door het lichaam stroomden en die naar het Griekse woord voor ‘vocht’ de humeuren genoemd werden: de lucht in het bloed, het vuur in de gele gal, de aarde in de zwarte gal en het water in het slijm. Deze vier vochten stuurden alle lichamelijke en geestelijke functies aan. Voor een goede gezondheid was een evenwicht tussen de humeuren nodig; als de balans verstoord raakte, werd je ziek.

Nu is de ene mens de andere niet en in de oudheid en zeventiende eeuw was dat net zo. Elke mens had een natuurlijke aanleg voor overwicht van één humeur. De sanguinicus was sterk maar moest oppassen voor een natuurlijke overmaat aan bloed; de cholericus was driftig van aard, vooral als zich teveel gele gal in zijn of haar lichaam verzameld had. De zwartgallige melancholicus had aanleg voor depressiviteit; de flegmaticus had gauw last van kwalen die met teveel slijm te maken hadden. Het belangrijkste was te bepalen welk type mens je was: dan wist je met welke tegenmiddelen je verstoring van het evenwicht kon voorkomen.

De grote en de kleine wereld stonden met elkaar in verbinding, zoals te zien is op deze afbeelding van een melancholicus. Deze ‘maanzieke’ zit in de nachtelijke nevel zwaarmoedig te peinzen. In zijn hand heeft hij een passer, onder de arm een wereldbol: melancholie kwam vooral voor onder kunstenaars, wetenschappers én rijke mensen.

Melancholie was een gevaarlijke kwaal: de depressiviteit konden leiden tot de dood. De lever was de boosdoener, die maakte teveel zwarte gal aan. De oplossing werd gevonden in middelen die heet en nat waren en een tegenwicht vormden tegen het koude en droge van de zwarte gal. Verder moest je de lever zoveel mogelijk beweging geven, bijvoorbeeld door flink te lachen, zodat het teveel aan zwarte gal werd afgevoerd. Ook afleiding zoeken, bijvoorbeeld door van kunst te genieten en zelf kunst te maken, werd aangeraden. De melancholie zorgde ook voor inspiratie bij de kunstenaar! Schrijvers als Vondel, Focquenbroch en Barlaeus hadden ermee te kampen. Barlaeus pleegde in een van zijn depressieve buien zelfmoord.

Bij alle ziekten werd dus herstel van het evenwicht aangeraden en wel zoveel mogelijk met natuurlijke medicijnen. De huisarts Johan van Beverwijck publiceerde met De schat der gesontheyt en De schat der ongesontheyt een praktische medische encyclopedie met veel adviezen. Hij gaf van talloze planten en vloeistoffen aan welke combinaties van eigenschappen ze hadden. Zo werd een middel dat nat met heet combineerde gebruikt bij aandoeningen van droogte en kou. Een middel dat koud met droog combineerde hielp tegen aandoeningen die het lichaam te warm en nat maakten, enzovoort.

Vondel paste die voorschriften in onderstaand gedicht toe. Hij personifieerde de maand maart als een flegmatische man die te nat, koud en slap wordt van het voedsel dat in de lente beschikbaar is: vis. (De vleesvoorraad is na de winter op.) De oplossing is een heet en droog middel: tabak! Vondel maakte de tekst bij een prent van Falck, die weer werkte naar een schilderij van Von Sandrart. Hij volgde de afbeelding precies.

Lentemaand

De sture Lentemaand betoomt het vlees met vissen,
en leeft bij schelvis, zalm, en krabbe, en kabbeljauw,
bij zeehaan, oester, schol, en mossel; en wordt flauw.
Nu breng hem wat toebak: hij kan dien rook niet missen.
Hij loost, terwijl het stormt op zee, door deze pijp,
zijn slijm, en waterzucht. Vergeef hem dit vergrijp.

Tabak is een voorbeeld van een middel dat de Nederlanders leerden kennen door het handelsverkeer van de Verenigde Oost-Indische Compagnie en de Verenigde West-Indische Compagnie. In dit geval helpt het, maar de tabak was ook omstreden. Niet vanwege de kankerverwekkende nicotine – men wist wel dat dat een ingrediënt was maar nog niet dat het schadelijk was – maar vanwege de associatie met luiheid. Wie tevreden een pijpje rookt, zit lekker te niksen en heeft nergens behoefte meer aan. Als dat te vaak zou gebeuren zou het de kracht van de jonge Republiek bedreigen, die de oorlog immers moest betalen van de inkomsten die haar burgers binnenbrachten. Enkel potverteren paste daar niet bij.

In veel zeventiende-eeuwse literatuur wordt flink de draak gestoken met roken. Cats beeldt in onderstaand embleem een verliefde man af die zich door het liefdesgodje Cupido (de zoon van Venus) en de tabak die hij verkoopt het hoofd op hol laat brengen. Uiteindelijk houdt hij alleen maar rook over.

Van rook werd' ik gevoed

Men houdt dat Venus’ kind meint handel aan te grijpen,
het veilt tabak te koop, en menig honderd pijpen.
Rook is zijn kramerij, rook is zijn beste vond,
rook schiet hem uit’en neus, rook berst hem uit’en mond;
rook zweeft hem om het oog, zodat ze beide wenen,
en nog ist al vermaak, gelijk de vrijers menen;
rook is zijn ganse rijk, rook is zijn beste goed.
Tis rook, tis enkel rook, al wat den minnaar voedt.
Verder lezen
Kosmologische verbeelding van de melancholie door Jacques de Gheyn II, ca.1596.
Lentemaand

De sture Lentemaand betoomt het vlees met vissen,
en leeft bij schelvis, zalm, en krabbe, en kabbeljauw,
bij zeehaan, oester, schol, en mossel; en wordt flauw.
Nu breng hem wat toebak: hij kan dien rook niet missen.
Hij loost, terwijl het stormt op zee, door deze pijp,
zijn slijm, en waterzucht. Vergeef hem dit vergrijp.
Van rook werd' ik gevoed

Men houdt dat Venus’ kind meint handel aan te grijpen,
het veilt tabak te koop, en menig honderd pijpen.
Rook is zijn kramerij, rook is zijn beste vond,
rook schiet hem uit’en neus, rook berst hem uit’en mond;
rook zweeft hem om het oog, zodat ze beide wenen,
en nog ist al vermaak, gelijk de vrijers menen;
rook is zijn ganse rijk, rook is zijn beste goed.
Tis rook, tis enkel rook, al wat den minnaar voedt.