literatuurgeschiedenis.nl | de middeleeuwen
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Fragment voorgelezen door: Frank Willaert
Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic enda thu wat unbidan we nu

Dit is een Nederlandse zin, ook al is hij op het eerste gezicht nauwelijks meer te begrijpen. Het is dan ook zo ongeveer het vroegste Nederlands dat we kennen, zo'n duizend jaar oud. Letterlijk staat er: Hebben alle vogels nesten begonnen behalve ik en jij; wat wachten we nu, oftewel: ‘Alle vogels zijn al aan het nestelen, behalve jij en ik; waar wachten we nog op?’ Het zijn waarschijnlijk twee regels uit een liefdesliedje; de oudste Nederlandstalige lovesong, zou je kunnen zeggen.

Een pennenproef als begin
‘Hebban olla vogala...’ is het oudst bekende Nederlandse liefdesversje (opgeschreven ca. 1100); in deze periode werd literatuur in de volkstaal meestal mondeling overgeleverd.

Deze regels werden omstreeks het jaar 1100 als pennenproef neergeschreven door een Vlaamse monnik die in een Engels klooster verbleef. Zijn dagelijks leven was grotendeels gevuld met het overschrijven van Latijnse en Oudengelse teksten. Af en toe moest hij de ganzenveer waarmee hij schreef aanscherpen. Op de laatste bladzijde van het boek dat hij aan het maken was, probeerde hij uit of zijn pen weer goed schreef, alvorens verder te werken. In zo'n geval schrijf je vaak het eerste dat je te binnen schiet. Bij onze monnik was dat een liefdesversje dat hij nog uit zijn jeugd in Vlaanderen kende: Hebban olla vogala… En daarmee verschafte hij de Nederlandse literatuurgeschiedenis een romantisch begin.

Onze taal is al oud, ouder dan deze regels. Het is niet mogelijk een exact begin van het Nederlands aan te geven, omdat het deel uitmaakt van een familie van talen, die ooit één geheel vormde en zich geleidelijk aan opgedeeld heeft. De taal die van ca. 800 tot 1150 in onze contreien gesproken werd, noemen we Oudnederlands. Behalve Hebban olla vogala... zijn er niet meer dan enkele kleine schriftelijke resten van bewaard gebleven.

Als er geschreven moest worden, gebeurde dat doorgaans in het Latijn. Nederlands was - net als overigens Frans, Duits, Engels en Fries - in eerste instantie alleen een spreektaal, die door het volk gesproken werd. Ook het vertellen van verhalen en het zingen van liederen gebeurde in deze volkstaal, van vader op zoon, van moeder op dochter… In de eeuwen voorafgaand aan Hebban olla vogala was er dus wel degelijk Nederlandse literatuur, maar die bestond slechts in de hoofden van mensen. Pas na verloop van tijd worden sommige van deze verhalen ook opgeschreven.

De eerste volkstalige literatuur in de ons omringende landen is nog enkele eeuwen ouder dan Hebban olla vogala.... Het Hildebrandslied in het Oudhoogduits, werd rond 800 opgeschreven. Het is een van de vroegste literaire teksten in een Germaanse taal. De Oudengelse Beowulf werd rond het jaar 900 opgeschreven. In het Frans, een Romaanse taal, is het Chanson de Roland (opgeschreven rond 1100) een van de oudste teksten. Het Oud-Nederlands heeft rond 1100 nog niet veel meer dan dat ene zinnetje.

In de eeuwen na 1100 groeien literatuur en boek steeds meer naar elkaar toe. Maar de orale overlevering van literatuur blijft voortleven. Veel middeleeuwse verhalen zijn waarschijnlijk nooit, of pas veel later, opgeschreven. Zo is het middeleeuwse Lied van heer Halewijn pas in de negentiende eeuw voor het eerst opgetekend. Eeuwenlang is het alleen bewaard gebleven doordat het van mond tot mond werd doorgegeven.

Verder lezen
Een deel van blad waarop een Vlaamse monnik Hebban olla vogala noteerde.
De evangelist Johannes, afgebeeld als een 12e-eeuwse kopiist. De adelaar op de achtergrond verwijst overigens niet naar Hebban olla vogala, maar is het persoonlijke symbool van Johannes.
FOKKE ende SUKKE