literatuurgeschiedenis.nl | de middeleeuwen
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    

De twaalfde eeuw bracht West-Europa niet alleen welvaart, ook de wetenschap kreeg een enorme impuls. Maar wetenschappelijke teksten werden uitsluitend in het Latijn geschreven, dus alleen zij die die taal machtig waren profiteerden hiervan. Totdat, halverwege de dertiende eeuw, ergens in Zeeland een zekere Jacob zich achter zijn schrijftafel zette.

Jacob van Maerlant
Jacob van Maerlant schreef de meest uiteenlopende boeken, van ridderromans tot een wereldgeschiedenis. Hij is daarmee van grote betekenis geweest voor de Middelnederlandse literatuur.

Jacob van Maerlant was geboren in de omgeving van Brugge en heeft in die plaats waarschijnlijk de beroemde Sint Donaas-kapittelschool bezocht. Daardoor had hij uitstekend Frans en Latijn geleerd. Naar de belangrijkste boeken in die talen wist hij feilloos de weg. Rond 1260 werd hij koster in het plaatsje Maerlant, vlak bij Den Briel. In de ongeveer acht jaar dat Jacob op het eiland Voorne woonde, schreef hij zeven werken. Hij deed dit voor verschillende hoge edelen, die hem waarschijnlijk de tijd en de middelen gaven om te kunnen schrijven. Zonder dergelijke steun redde je het niet als schrijver in de dertiende eeuw. Tenslotte kon je niet leven van de verkoop van je boeken en literaire prijzen bestonden nog niet.

Maerlants debuut was Alexanders Geesten, een biografie van Alexander de Grote in ruim 14.000 verzen (= versregels). In zeker opzicht paste dit werk in de traditie van de ridderromans, met uitgebreide beschrijvingen van de veldslagen die Alexander leverde. Maar opvallend is dat Maerlant, zoals hij vaak kortweg genoemd wordt, de gelegenheid te baat neemt om heel wat wetenschappelijke kennis over vreemde volkeren, bijzondere natuurverschijnselen, geografie en wereldgeschiedenis in zijn verhaal te verwerken. En dat waren zaken die tot dan toe in geen enkele volkstaal te vinden waren. Omstreeks 1264 schreef hij nog zo'n historisch werk, de Historie van Troyen, waarin in maar liefst 40.000 verzen de geschiedenis van de Trojaanse oorlog en de omzwervingen van Eneas worden verhaald.

Het was ongeveer 1270 toen Maerlant terugkeerde naar zijn geboortestreek, naar het stadje Damme. Daar schreef hij nog eens vijf grote werken. Der naturen bloeme kan het best omschreven worden als een middeleeuwse natuurencyclopedie, de eerste in de volkstaal. In 1271 schreef Maerlant zijn Rijmbijbel, een bijbelvertaling in de volkstaal.

Van 1285-1288 werkte Maerlant aan zijn grootste werk, de Spieghel historiael. Net als zijn andere werk, droeg hij ook dit op aan iemand van adel: de Hollandse graaf Floris V.

Grave Florens, coninc Willems sone,
Ontfaet dit werc! Ghi waert de ghone,
Die mi dit dede anevaen.
Ghenoughet u, wildijt ontfaen
Danckelike, so bem ics vro,
Ende ic houts mi gepayt also.
God geve u leven sonder blame!
Ic beghinne in ons Heren name.

Maerlant kende Floris nog van vroeger, toen hij nog op Voorne verbleef. Floris heeft Maerlant misschien financieel ondersteund tijdens het werk. Het schrijven van de Spieghel historiael was namelijk een reusachtige onderneming: het was een wereldgeschiedenis die begon bij de schepping en had moeten eindigen in Maerlants eigen tijd. Maar toen Jacob ruim 90.000 verzen klaar had, werd hij ziek en moest hij de pen neerleggen. Later is het werk door anderen afgemaakt.

Maerlant heeft ook nog een aantal strofische gedichten geschreven die handelen over religieuze, maatschappelijke en morele vraagstukken. In Van den lande van oversee (=Over het Heilige Land) beklaagt hij de val van de kruisvaardersvesting Akko op 18 mei 1291 en roept hij op tot een nieuwe kruistocht. Het was Maerlants zwanenzang.

Jacob van Maerlant is van grote betekenis geweest voor de Middelnederlandse literatuur. Hij werd door veel schrijvers als hun leermeester beschouwd en hij werd al kort na zijn dood geëerd met de titel ‘Vader der Dietsche dichteren algader’ (Vader van alle Nederlandstalige schrijvers).

Verder lezen
Jacob van Maerlant zit peinzend aan een lessenaar waarop een open boek ligt. Begin van de Spiegel historiael.
De zeeridder (zitiron), uit het hoofdstuk over zeemonsters in Maerlants Der naturen bloeme.