literatuurgeschiedenis.nl | de middeleeuwen
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Les 3: Naamvallen

Het Middelnederlands kende nog naamvallen. In het Duits is dat tegenwoordig nog zo, maar in het Nederlands en het Engels zijn die naamvallen in later tijd verdwenen.

Naamvallen zijn: verschillende vormen van een woord waarmee de functie in de zin wordt aangegeven. Men onderscheidt vier verschillende naamvallen: de eerste naamval of nominativus, de tweede (genitivus), de derde (dativus) en de vierde (accusativus).

De eerste naamval of nominativus duidt meestal aan dat het woord onderwerp is van de zin. Zo lezen we bijvoorbeeld die coninc wart herde gram (‘de koning werd erg boos’). En zo ook: die knape quam tote in die zele gereden (‘de knaap kwam tot in de zaal gereden’). En: thuus was wel wijt (‘het huis was heel ruim’).

De tweede naamval of genitivus werd onder andere gebruikt om bezit aan te duiden: des coninx sone levede .xl. iaren (‘de zoon van de koning leefde veertig jaar’); die porte des borgs was iserijn (‘de poort van de burcht was van ijzer’). Of met een vrouwelijk woord: der maghet moder (‘de moeder van het meisje’); an den hals ere (=ener) liebaerdinne (‘aan de hals van een leeuwin’).

De derde naamval of dativus wordt gebruikt voor wat wij het ‘meewerkend voorwerp’ noemen. We zien die gebruikt worden in den coninge hulde brenghen, en also dat dit den stedehouder van Hollant the kennen gegheven wert In de laatste zin zien we dus aan de vorm den stedehouder meteen dat niet de stadhouder iets te kennen geeft, maar dat er iets ‘aan de stadhouder’ te kennen wordt gegeven.

Ten slotte de vierde naamval of accusativus: dat is de naamval voor het lijdend voorwerp: hi sach den coninc, die vrowe, dat broot. Ook na voorzetsels gebruikte men een derde of een vierde naamval.

Tot zover is er, afgezien van de naamvalsuitgangen, eigenlijk weinig verschil met het tegenwoordige Nederlands. Bij nader toezien zijn de verschillen echter groter. Tegenwoordig gebruiken we veel meer voorzetsels (juist omdat er geen naamvallen meer zijn).

In het Middelnederlands werd juist veel met die naamvallen gedaan. Zo lezen we in een oud bijbels verhaal: Doe ginc Ihesus in een schep dat Peters was. Wij zouden zeggen: ‘dat van Petrus was’, maar destijds volstond de genitivus Peters. In de Reinaert zegt iemand: Uwes goets raets hebbet danc, wat wij zouden weergeven met: ‘hebt dank voor uw goede raad’. Letterlijk staat er: ‘van, vanwege uw goede raad’. En Ruusbroec schrijft in een van zijn geschriften: Heere ic hebbe ghesondicht, ontfermt myns, arms sondichs menschen. Dat wil zeggen: ‘ontferm (u) over mij, arm zondig mens’.
Andere toepassingen van de genitivus zien we in: ghetrects sweerts (‘met getrokken zwaard’); dat nieman sijns dancs die doot sal anvaen (‘dat niemand vrijwillig de dood zal aanvangen, d.w.z. vrijwillig sterft’). En dies dancti gode (‘daarvoor dankte hij God’).

Ook de derde naamval of dativus werd vaker gebruikt dan bij ons een meewerkend voorwerp. In hetzelfde bijbelverhaal lezen we bijvoorbeeld: Doe ontfarmde din here sijns knechtts ende lieten gaen. Er staat letterlijk: ‘toen ontfermde aan die heer over (of: vanwege) zijn knecht en liet hem gaan’. Hier is din here niet het onderwerp van de zin (anders had er die here gestaan), maar veeleer iets als: ‘aan die heer was ontferming’. Merk ook de enclisis op in lieten uit liet 'm.

Sterke en zwakke verbuigingen

De eerste oftewel ‘sterke’ verbuiging zien we het meest. Maar woorden die op -e eindigen, vertonen doorgaans een andere verbuiging, die men dan de ‘zwakke’ verbuiging noemt:

Geknielde man, gebeden lezend vanaf een los blad. Margedecoratie in het getijdenboek van de Meester van Catharina van Kleef.