literatuurgeschiedenis.nl | de middeleeuwen
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Les 4: Voornaamwoorden

Bij de voornaamwoorden zien we veel dat tegenwoordig nauwelijks anders is. Voor de eerste persoon is het ic, voor de derde persoon hi, si en het (‘hij, zij, het’), en in het meervoud wi (‘wij’) en weer si (‘zij’).

Verschillen zitten 'm vooral in de tweede persoon. Voor tweede persoon enkelvoud gebruikte men du: du best ghecomen al te spade (‘je bent te laat gekomen’); Reinaert, wat aetstu, wat? (‘Reinaert, wat at je?’). Voor het meervoud gebruikte men ghi. Dat is, zeg maar, de voorloper van het tegenwoordige gij of ge. In het Middelnederlands is het eerst en vooral meervoudsvorm. Daarnaast werd het ook gebruikt als beleefdheidsvorm. En zo is het in later tijd enkelvoud geworden (en verdween het oude enkelvoud du).

Ook de voornaamwoorden hebben naamvalsvormen. Dat zijn, onderscheiden naar enkelvouds- en meervoudsvormen:

Zo schrijft Ruusbroec over zijn mystieke ervaringen met God: Ic wone in di ende du leves in my. En ook: si seiden alle, dat si souden sijns ghedincken in haer ghebede. En ergens anders lezen we: --onser ne gheen canse verhoghen, dat is: ‘geen van ons’.

Als aanwijzende voornaamwoorden gebruikte men onder andere die en dat. Maar die werden ook als lidwoord gebruikt. Eigenlijk moeten we zeggen dat het Middelnederlands nog geen apart lidwoord had. Die coninc is, afhankelijk van de context, meestal te vertalen als ‘de koning’, en dat huus meestal als ‘het huis’.

Belangrijk is dat het woord zich aanvankelijk nog niet voorkomt. Het is pas in de loop van de Middelnederlandse periode ontleend aan het Duits, en eerlijk gezegd in de meeste dialecten nog steeds niet erg doorgedrongen. Wanneer we dus in de Ferguut lezen Die here riep te hem twee knapen, dan moeten we dat opvatten als: ‘de heer riep twee knapen bij zich’. Of in een theologisch werk: daer haer die verborghene waerheit sonder middel openbaert, d.w.z. ‘waar zich de verborgen waarheid zonder middel openbaart’.

Bij de bezittelijke voornaamwoorden is het meeste wel duidelijk. Alleen moeten we verdacht zijn op dijn, voor tweede persoon enkelvoud. Dat hoort dus bij du. Als in een bijbelverhaal verteld wordt hoe Jezus tegen de apostelen zegt dat ze de visnetten aan de andere kant van de boot moeten uitwerpen, staat er nochtan om dijns gebods wille so salic noch mijn nette werpen, dus: ‘omwille van jouw gebod’.

Een ander verschil met tegenwoordig is dat haer niet enkel van vrouwen en meisjes wordt gezegd, maar evengoed van mannen: [Daarom] willic u alhier ter steden segghen, wie de graven waren, de Hollant in haren jaren hadden onder haer bedwanc.

Een combinatie als wie so of so wie betekent: ‘al wie’. En zo lezen we in Melis Stoke's Rijmkroniek: Dus wan grave Willam tlant, ende wie so hem was viant, die brac hi of huus ende veste (‘die, d.i. bij hem, brak hij huis en vesting af’).

Lezende man met bril. Aan zijn kleding en zijn beurs is te zien dat hij zeer rijk was. Margedecoratie in het getijdenboek van de Meester van Catharina van Kleef.