literatuurgeschiedenis.nl | de middeleeuwen
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Les 5: Werkwoorden

Bij de werkwoorden moeten we bedacht zijn op de zogenaamde aanvoegende wijs. Tegenwoordig is daarvan bijna niets meer over, of het moesten versteende vormen zijn zoals ‘Leve de koning’, en ‘Men neme twee eieren’.

Maar in het Middelnederlands wordt die aanvoegende wijs nog volop gebruikt, al is die reeds beperkt tot de derde persoon enkelvoud. Meestal wordt er een wens of een aansporing mee uitgedrukt, of iets dat niet het geval is. Bijvoorbeeld in de woorden van Ferguut: Sloegicken doet, ic dade sende, d.w.z. 'als ik hem doodsloeg, zou ik zonde doen’. Zo ook: God neme die ziele in sijnre macht.

We hebben zojuist de woorden van Ferguut Sloegicken doet, ic dade sende vertaald met 'als ik hem doodsloeg'. Dat brengt ons op een ander punt. Namelijk zinnen die beginnen met het werkwoord (hier: sloeg), en die een voorwaarde uitdrukken. Zoiets is tegenwoordig ook nog wel mogelijk (Komt hij niet, dan eten we alles op), maar meestal gebruiken we nu toch een zin met als: Als hij niet komt, ... In het Middelnederlands bestonden eveneens de beide mogelijkheden, maar in de praktijk gebruikte men destijds toch meestal een zin met het werkwoord vooraan. Heel veel vaker dan tegenwoordig. Zie bijvoorbeeld de vaderlijke woorden van koning Artur tot de vechtlustige Ferguut: Neen vrient, het waer quaet gedaen, wildine hier vore ons allen slaen. Dat is te vertalen met: 'als ge hem hier voor ons allen wilde slaan' (wildine is een enclisisvorm voor: wildet ghi 'ne; zie les 2).

Het werkwoord staat in het Middelnederlands nogal eens op een plaats waar we het niet zouden verwachten. Zo zei men bijvoorbeeld in de vraag van onnozele Bruun aan Reinaert: Waendi dat ic bem onvroet? , waar wij zouden zeggen: 'denkt ge dat ik onwijs ben?' Vooral in het oudste Middelnederlands is dat schering en inslag: ende streetse doe met crachte an, sodat si hem gaven ghevaen: 'zodat zij zich gevangen gaven'. En: Ende alse dat sagen de IJoden, so begonsten si te murmurne: 'en toen de Joden dat zagen'. En: Wiltu mi volgen an, so verloochene dijns selves dan: 'Wil je mij navolgen, verloochen dan jezelf'.

Voorts werd er druk gebruik gemaakt van de zogenoemde 'tegenwoordige deelwoorden' (pratende, zittend, enz.), wat tegenwoordig veel minder het geval is. Bijvoorbeeld in Deghene moet voert ane wassende sijn ende ic mindrende, waar wij zouden zeggen: 'hij moet voortaan groeien en ik minder worden'. En: Ende deghene die buten steet, hi sal bliuen roepende ende cloppende vor die dore: 'en degene die buiten staat zal blijven roepen en kloppen op de deur'. En: in crude ende in allen dinghen die inder eerden wassende sijn: 'in planten en alles wat op aarde groeit'.

En ten slotte: voltooide deelwoorden hebben nog niet altijd ge-. Zo zei men nog hi es comen, en si en hevet niet vonden / Ende deghene die buten steet, hi sal bliuen roepende ende cloppende vor die dore: 'en degene die buiten staat zal blijven roepen en kloppen op de deur'. En:in crude ende in allen dinghen die inder eerden wassende sij: 'in planten en alles wat op aarde groeit'.

Vervoegingen

Regelmatig zijn werkwoorden als wonen en geven:

Tegenwoordige tijd Verleden tijd Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ic wone/woonic woondeic geve/geefic gaf
du wones/woonsdu woondesdu geves/geefsdu gaves/gaefs
hi woonthi woondehi gevet/geefthi gaf
wi wonenwi woondenwi gevenwi gaven
ghi wonet/woontghi woondetghi gevet/geeftghi gavet/gaaft
si wonensi woondensi gevensi gaven

Onregelmatig is het werkwoord sijn:

Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ic ben/bemic was
du bestdu waers
hi ishi was
wi sijnwi waren
ghi sijtghi waert
si sijnsi waren

Voor 3e persoon enkelvoud bestaat ook een aanvoegende wijs: hi wone, hi geve, hi gave, hi sij, enz.

Religieuze man, lezend van een rol. Margedecoratie in het getijdenboek van de Meester van Catharina van Kleef.