literatuurgeschiedenis.nl | de middeleeuwen
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Les 6: Ontkenningen

De normale manier van ontkenningen maken in het Middelnederlands is met en of ne voor het werkwoord, en niet, nooit, niemand, enz. elders in de zin. In sommige dialecten gebeurt dat tegenwoordig trouwens nog steeds zo. Net als in de Franse schrijftaal. Maar het is niet door Franse invloed ontstaan, want alle Germaanse talen maakten vroeger zo hun ontkenningen, ook het Engels en het Duits.

Men zei dus bijvoorbeeld Reynaert, ne sorghet niet (‘Reinaert, wees niet bezorgd’). En: Wi en moghense niet begripen. En zo ook: Hine waende nemmermeer ontgaen (‘hij dacht nooit meer te ontkomen’); Hine dorste bliven no vlien (‘hij durfde niet blijven en niet te vluchten’); mar sine hadden en gheen kint, omdat Elisabet ondrechtech was (‘maar ze hadden geen kind, omdat Elizabeth onvruchtbaar was’); Nye en maecte God so leelic dier (‘nooit maakte God zo'n lelijk dier’).

Wanneer men met nadruk wilde zeggen dat iets echt helemaal niet het geval was, niks niemendal, geen bal, geen biet, dan beschikte ook het Middelnederlands over een keur van versterkingen van de ontkenning: niet omme enen canele, niet een riet, niet .i. bottoen (letterlijk: ‘geen bloemknopje’), niet een stro, niet een twinc (letterlijk: ‘geen oogwenk’), en nog vele andere.

Een beetje lastig soort zinnen, althans voor ons, want de middeleeuwer had er geen moeite mee, is: Ic salre varen, in blive doet (in is de samensmelting van ic en). We vertalen: ‘ik zal erheen gaan, als ik er niet in dood blijf’, d.w.z. tenzij ... (Of ook wel: ‘Ik zal erheen gaan, of ik moest erin dood blijven’). Hetzelfde zien we in: Nieman en mach riddere touwen hine si ridder: ‘niemand mag tot ridder slaan, of hij moest zelf ridder zijn’, d.w.z. ‘tenzij hij zelf ridder is’. En over de ongelovige Sint Brandaan, die een boek vol wonderverhalen in het vuur smeet, wordt gezegd: Hi en wilde no hi en mochte dies emmer niet gheloven, hi en saecht met zinen oghen (‘hij wilde en hij kon het maar niet geloven, of hij moest het met eigen ogen zien’). Daar kreeg Brandaan later spijt van, want voor straf moest hij van God een lange en gevaarlijke reis maken, om al die wonderen van God met eigen ogen te gaan aanschouwen, en ze weer op te schrijven, ter vervanging van het verbrande boek.

Monnik, lezend in een boek. Margedecoratie in het getijdenboek van de Meester van Catharina van Kleef.