literatuurgeschiedenis.nl | de middeleeuwen Literatuurgeschiedenis.nl: Floris ende Blancefloer
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Floris ende Blancefloer
Diederic van Assenede, ca. 1255 , Vlaanderen (?)

Het christenmeisje Blancefloer en de moslim-koningszoon Floris groeien van jongs af aan samen op aan het Spaanse hof. Als de koning, Floris' vader, hoort van hun heimelijke liefde wil hij het meisje uit de weg ruimen. De koningin stelt een list voor: Floris gaat uit logeren en ondertussen zal Blancefloer door kooplieden worden meegenomen naar verre streken. Een schitterend graf moet Floris doen geloven dat zijn geliefde dood is. Floris ontdekt het bedrog en besluit Blancefloer te gaan zoeken. In Babylon aangekomen, weet Floris uiteindelijk langs de wachters te komen en verstopt in een bloemenmand binnen te dringen in de toren waar Blancefloer wordt vastgehouden door de emir. Wanneer de emir Floris bij Blancefloer in bed betrapt, wil hij hem doden. Het komt echter tot een rechtszitting, waar de sterke liefde tussen de twee jonge mensen de aanwezigen roert: Floris en Blancefloer mogen blijven leven. Wanneer het bericht komt dat Floris’ ouders zijn overleden, keert het jonge paar naar Spanje terug. Beiden worden daar gekroond en Floris laat zichzelf en heel zijn volk dopen. Ze krijgen een dochter, Berte met de grote voeten, die op haar beurt de moeder zal zijn van Karel de Grote.

Fragment waarin Floris, staande bij het graf van Blancefloer, een eind aan zijn leven wil maken (vs. 1205-1226).
Doe rechte hem Floris van den grave,
Niet verre bleef hi staende daer ave;
Tenen griffie voedersele hi vinc
Daer ene guldine griffie in hinc,
Die hem hadde gegeven Blancefloer
Op minne, doe hi van haer voer.
Alse Floris die griffie uut trac,
Hi hiltse vor hem ende sprac:
‘Dese griffie, Blancefloer, daeddi maken
Ende gaefse mi bi derre saken,
Als icse dan saghe, dat si woude
Dat ic haers gedinken soude.
Nu leget mijn troest an di allene,
Du salt mi lossen uten wene,
Daer ic in ben, ende nemen mi dat leven,
Al ne waerstu mi niet daer toe gegeven.
Haest, dats wesen sal, dat doe.’
Metten woerde droech hise hem toe
Ende wildse te sire herten steken inne.
Dit sach sijn moeder, die conincinne,
Ende liep te hem waert ende prant
Haestelike die greffie uut sire hant.
Floris stond op van het graf en
bleef niet ver van daar stilstaan.
Hij pakte een griffelkoker,
met daarin een gouden schrijfstift,
die Blancefloer hem als teken van haar liefde
had gegeven toen hij van haar wegging.
Hij trok de griffel uit de koker,
hield hem voor zich en sprak:
‘Blancefloer, deze griffel heb je
laten maken en aan mij gegeven,
omdat je wilde dat ik aan je
zou denken als ik hem zag.
Nu ben jij, griffel, mijn enige toevlucht,
jij moet me verlossen uit mijn ellende
en me doden, ook al ben je
me niet voor dat doel gegeven.
Vooruit! Doe wat er gedaan moet worden.’
En met die woorden richtte hij
de griffel op zijn borst en maakte
aanstalten om hem in zijn hart te steken.
Zijn moeder, de koningin, zag dat, rende naar
naar hem toe en griste de griffel uit zijn hand.

Diederic van Assenede maakte zijn vertaling in verzen van de Franse Floire et Blancheflor naar eigen zeggen voor hoofse lieden die het Frans niet machtig waren. De Vlaamse dichter volgde zijn voorbeeldtekst nauwkeurig. Wel zette hij hier en daar het thema van deze liefdesgeschiedenis nog eens extra in de verf. Hij wilde duidelijk maken dat het pad van de hoofse minnaar weliswaar niet altijd over rozen gaat, maar dat oprechte, standvastige liefde tegelijkertijd ook inspireert tot ongekende heldendaden.

Ook onderstreepte Diederic al vertalend het belang van een drietal – bij uitstek vorstelijke – deugden: moed, wijsheid en zelfbeheersing. Floris, die ondanks zijn jeugdige leeftijd voor geen enkel gevaar terugdeinst, is de verpersoonlijking van ware heldenmoed. Daar waar de beide vorsten - Floris’ vader en de emir van Babylon - impulsief reageren, toont de koningin zich een verstandige vorstin: regeren is vooruitzien.

De charme van Floris ende Blancefloer moet voor middeleeuwers niet alleen hebben gelegen in het romantische verhaal, maar ook in het feeërieke decor. De beschrijvingen van wonderbaarlijke bewegende beelden op het (schijn)graf van Blancefloer, de exotische tuinen en het fantastische paleis van de emir van Babylon zijn ongetwijfeld beïnvloed door de indrukken die de kruistochtvaarders in het Midden-Oosten hadden opgedaan. Vanwege deze elementen werd de Floris ende Blancefloer wel tot de zogenaamde ‘oosterse romans’ gerekend. Toch is deze tekst evengoed een ‘Karelroman’. Aan het slot krijgen we immers te horen dat Floris en Blancefloer de grootouders waren van Karel de Grote. Daarmee werd de roman feitelijk een stukje voorgeschiedenis van deze beroemde vorst - van wie menig middeleeuwse koning en edelman trouwens beweerde een afstammeling te zijn.

Verder lezen
Na de dood van zijn ouders wordt Floris tot koning gekroond. Afbeelding uit een handschrift met een Duitse versie van het verhaal over Floris en Blanchefloer.
Houtsnede met Floris en Blancefloer in een uitgave van Jan van Doesborch uit ca. 1517.