literatuurgeschiedenis.nl | de middeleeuwen
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    

Net als liefde, is ook oorlog van alle tijden. In het feodale tijdperk bestonden er eigenlijk geen beroepslegers. Het was de vorst die in tijden van nood zijn leenmannen bij elkaar riep en ten strijde trok. Naarmate de leenmannen machtiger werden, waren ze minder bereid om voor hun vorst als krijgsman op te treden. Daarom zocht de vorst steun bij de lagere adel, die hij tegen betaling in dienst nam als raadgevers en militairen: de ridders.

Ridderliteratuur
Ridders zijn de belangrijkste militairen van de Middeleeuwen. Ridderromans, geschreven voor en over ridders, zijn spannende verhalen over moed, trouw en liefde.

Ridder werd je, in principe, van vader op zoon. Oorspronkelijk vormde de ridderstand de onderste laag van de adel, maar omdat ridderschap al vrij gauw veel aanzien gaf, lieten ook graven en prinsen zich op den duur tot ridder wijden (pas veel later in de Middeleeuwen werd de ridderslag gebruikelijk).

De ceremonie waarbij iemand ridder werd, was plechtig en duur. Bovendien kostten ook een goed paard en een solide wapenrusting veel geld: het was niet goedkoop om ridder te zijn. In de late Middeleeuwen zagen veel jonge mannen uit de armere adel dan ook af van zo'n officiële wijding. Omdat je immers tóch al van geboorte van adel was, hoefde je niet langer te bewijzen dat je erbij hoorde. De vraag of je ridderschap van je ouders kon erven of zélf moest verdienen, was een punt van discussie. In het verhaal over Ferguut speelt deze discussie een belangrijke rol.

Vanaf ongeveer 1100 werden in Europa talloze ridderromans gedicht. Het waren romans vóór en over de ridderstand. Op rijm, want dat lag beter in het gehoor. En in de volkstaal, want veel ridders verstonden geen Latijn. De mode van de ridderroman begon in Frankrijk, met de vijf Arturromans van Chrétien de Troyes. Veel Nederlandse romans zijn dan ook vertalingen uit het Frans.

De meeste ridderromans spelen zich af aan en rond het hof van Karel de Grote of van koning Artur. Maar ook over helden uit een verder verleden werden ridderromans geschreven. In de ogen van de middeleeuwers stonden grote helden uit het verleden op gelijke hoogte met de vooraanstaande ridders uit de eigen tijd.

De belangrijkste ‘ridders’ uit de wereldgeschiedenis werden vereerd als de ‘Negen Besten’: drie uit de klassieke oudheid (Hector, Alexander de Grote en Julius Caesar); drie uit de joodse geschiedenis (Jozua, David en Judas Maccabeüs) en drie christenen (Artur, Karel de Grote en Godfried van Bouillon).

Veel Karelromans zijn hoofdzakelijk gewijd aan oorlog en massa-gevechten, vaak tussen christenen en moslims, terwijl in de Arturromans de nadruk ligt op individuele avonturen, toernooien en tweegevechten, en de hoofse liefde. Hoewel de naam van deze romans anders zou doen vermoeden, waren Karel of Artur vrijwel nooit zélf de hoofdpersoon. In veel Karelromans was keizer Karel zelfs een ronduit onsympathieke figuur, die de eigenlijke held het leven zuur maakte. Koning Artur bleef meestal op de achtergrond, terwijl de aan zijn hof verbonden ridders op avontuur gingen. Deze ridders, die bekend stonden als de ridders van de Ronde Tafel, probeerden elkaar op tochten vol avontuur en tijdens toernooien de loef af te steken.

Ridderliteratuur was een bron van verstrooiing: aan de middeleeuwse hoven genoot men van lange en spannende verhalen over moed, trouw en liefde. Maar ze had ook een voorbeeldfunctie: de lotgevallen van de romanfiguren dienden tot voorbeeld van de edelen die naar zulke verhalen luisterden. Als Elegast in het beroemde verhaal Karel ende Elegast zijn onbeschofte tegenstander uit het zadel heeft gestoten, laat hij hem - zoals een hoofs ridder betaamt - eerst weer in het zadel klimmen alvorens op leven en dood verder te vechten. Maar of het in de werkelijkheid altijd zo hoofs toeging?

Verder lezen
Tronende vorst (keizer Honorius?) die zeven ridders toespreekt.
De verwoesting van Jeruzalem. Miniatuur van de verluchter Michiel van der Borch uit een handschrift met Jacob van Maerlants Rijmbijbel.
FOKKE ende SUKKE