literatuurgeschiedenis.nl | de middeleeuwen
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Fragment voorgelezen door: Veerle Fraeters
Ende also gelic als die vesch, die swemt in die witheit van der vlut ende rast heme in die dipheit, ende als die vogel, die kunlike vligt in die hochheit van der logt, geliker wis gevulse haren gest vrilike wandelende in die witheit ende in die dipheit ende in die verwentheit der minnen.

In poëtische woorden typeert de non Beatrijs van Nazareth (1200-1268) hoe een mens zich voelt die zich volkomen weet opgenomen in liefde (of minne) tot God. Het zijn geen eenvoudige woorden die ze gebruikt, maar mystiek is dan ook geen makkelijk te begrijpen fenomeen. Dat gold in de Middeleeuwen en dat geldt zeker in de eenentwintigste eeuw.

Brabantse mystiek
In Brabant leefden in de dertiende en veertiende eeuw verschillende schrijvende mystici. De belangrijksten zijn Hadewijch en Jan van Ruusbroec.

Beatrijs van Nazareth was afkomstig uit de Brabantse stad Tienen en ging al op jonge leeftijd in een klooster. Ze kreeg er een goede opleiding en werd uiteindelijk priorin (subhoofd van een vrouwenklooster) van het klooster Nazareth bij Lier (niet ver van Antwerpen). Toch is ze niet bekend geworden door haar glanzende carrière maar door de mystieke teksten die ze schreef. Beatrijs van Nazareth was namelijk een mystica. Maar wat is mystiek?

Mystiek is de poging om één te worden met God door volkomen overgave. In de geest van de mysticus ontstaat hierdoor ruimte waarin God kan binnenkomen. Maar of hij binnenkomt staat niet vast: de eenwording is een geschenk van God, en niet een beloning die verdiend kan worden door ijverig bidden. Het moment waarop zich dit voordoet, komt volkomen onverwacht: de mysticus ervaart de aanwezigheid van God en weet dat deze werkelijkheid echter is dan de wereld om haar heen. Mystieke literatuur gaat over dergelijke ervaringen en over de manier om ze te bereiken. Ze is een poging om in woorden te vatten wat eigenlijk niet gezegd kan worden. In dat opzicht lijken mystieke teksten wel een beetje op poëzie, en het is dus niet verwonderlijk dat het tekstje van Beatrijs, aan het begin van dit hoofdstuk, zo poëtisch is.

In Brabant zijn er in de dertiende en veertiende eeuw verschillende schrijvende mystici geweest. Beatrijs van Nazareth was de eerste van wie teksten in het Nederlands bewaard zijn, maar zeker niet de beroemdste. Hadewijch, die leefde in de dertiende eeuw, en Jan van Ruusbroec uit de veertiende eeuw, zijn de belangrijkste figuren uit de Brabantse mystiek.

Hadewijch is een grote onbekende, voor zover het haar levensverhaal betreft. Ze leefde in Brabant, zoveel weten we wel, maar wanneer ze precies leefde is onbekend. Ze zou haar belangrijkste teksten hebben geschreven rond 1250, al denken sommigen dat ze rond 1300 actief was. In elk geval zijn er heel wat teksten van haar bewaard: visioenen, liederen en brieven. De visioenen, waarin ze haar ervaringen op schrift heeft gezet, vormen haar belangrijkste werk. In de brieven schrijft ze aan verschillende vriendinnen over mystiek en over de manier waarop je zou moeten handelen om mystieke ervaringen te kunnen krijgen. Ook de liederen waren bedoeld voor een kring van goede bekenden. Waarschijnlijk zong Hadewijch ze samen met haar mede-zusters in het klooster of begijnhof waar ze leefde.

Jan van Ruusbroec (1293-1381) was priester in Brussel toen hij zijn eerste werken schreef. Later stichtte hij, samen met enkele anderen, het klooster Groenendaal even ten zuiden van de stad. Daar kon Ruusbroec zich in alle rust wijden aan een leven met God. Ook hier schreef hij verschillende grote en kleine mystieke traktaten. Ruusbroec was al bij zijn leven beroemd en zijn werk kreeg een grote verspreiding. Het werd tot in Zuid-Duitsland gekopieerd en al gauw werd het vertaald in het Latijn. Maar de grootste invloed had hij natuurlijk in zijn directe omgeving. Het duidelijkst blijkt dit wel uit het wonderbaarlijke verhaal over Jan van Leeuwen († 1378), de kok van het klooster Groenendaal. Toen hij zich aansloot bij Ruusbroec was hij volstrekt ongeletterd, zo wil het verhaal. Maar door goddelijke inspiratie leerde hij zichzelf lezen en schrijven, en tussen het bereiden van de dagelijkse maaltijden schreef hij verschillende mystieke teksten. Een betere illustratie dat het bij mystiek niet gaat om geleerdheid, maar om genade van God, is nauwelijks denkbaar.

Verder lezen
Hildegard von Bingen (1098-1179) was de beroemdste mystica uit de twaalfde eeuw. Ze wordt gerekend tot de Rijnlandse mystiek. Zij heeft haar visioenen niet alleen beschreven maar ook geschilderd.
Klein olieverfportret van Ruusbroec, waarschijnlijk rond 1580 gemaakt.
FOKKE ende SUKKE