literatuurgeschiedenis.nl | de middeleeuwen
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    

De aarde is een bol en we weten dit omdat het ons is verteld, bijvoorbeeld aan de hand van een globe waarop Europa kleiner is dan een hand en waarop België en Nederland twee kleine stippen zijn. Ons beeld van de wereld is vooral gevormd door wat anderen ons hebben verteld en veel minder doordat we zelf overal hebben rondgereisd. In de Middeleeuwen was het niet anders.

Beeld van de wereld
De middeleeuwse mens vormde zich een beeld van de wereld uit bijbelse en klassieke geschriften, aangevuld met kennis door eigen waarneming. In dat beeld stond de aarde in het centrum, met boven de hemel en onder de hel.

Het middeleeuwse wereldbeeld was heel wat minder primitief dan vaak gedacht wordt. Dit zogenaamde Ptolemeïsche wereldbeeld was gevormd door kennis uit klassieke geschriften, de bijbel en door eigen waarneming van de wereld. Middeleeuwse geleerden wisten dat de aarde rond was en geen platte pannenkoek. In hun optiek was de aarde het centrum van de wereld waar alle hemellichamen - zon, maan en sterren - omheen draaien. Boven de aarde strekt de hemel zich uit, waar God op zijn troon zit omringd door engelen en heiligen, en onder de aarde bevindt zich de hel. Het is een wereld waarin alles met alles samenhangt. De Natuurkunde van het geheelal is een tekst waarin die samenhang wordt beschreven. De invloed van de planeten op het leven op aarde komt daarbij uitgebreid ter sprake.

De schrijver van de Natuurkunde van het geheelal en ook Jacob van Maerlant baseren zich op geschriften van grote geleerden uit het verleden. Hun kijk op de wereld was gevormd door allerlei gegevens uit de bijbelse en klassieke oudheid te combineren. Hoe het heelal er werkelijk uitzag konden ze in een tijd zonder krachtige telescopen en ruimtevaartuigen alleen maar beredeneren. Dat betekent niet dat ze alles zomaar geloofden. Maerlant bijvoorbeeld baseert zich voor zijn beschrijving van het heelal op wat hij gelezen heeft. En als hij in zijn boek over de natuur (Der naturen bloeme) spreekt over volkeren aan het einde van de aarde doet hij hetzelfde: hij vertrouwt zijn bronnen. Soms laat hij zijn verbazing merken, alsof hij het niet helemaal vertrouwt. Maar als hij in datzelfde boek de natuur uit zijn eigen omgeving beschrijft, is hij kritischer en voegt hij gegevens toe die hij uit eigen waarneming wist. Wanneer hij de rat behandelt, schrijft hij bijvoorbeeld: ‘Op Westvoorne komen geen ratten voor, daar kan de schrijver van dit boek voor instaan’.

Middeleeuwers hadden een duidelijk beeld van hun eigen wereld. Europa, Noord-Afrika en het Nabije Oosten waren bekend, zoals we op verschillende landkaarten zien. Op de uiterst schematische wereldkaarten zijn die gebieden ingetekend. Jeruzalem ligt altijd in het midden: dat was de stad van God en dus het centrum van de wereld. Van Europa en de gebieden rond de Middellandse zee bestonden kaarten en routebeschrijvingen, zowel voor pelgrims als voor kooplieden. Maar ook buiten de bekende wereld werd gereisd. Sommigen reisden naar het oosten en kwamen tot in China. Marco Polo uit Venetië is wel de bekendste. Zijn reisverhaal, vol fantastische avonturen, was heel geliefd. Het verhaal van Jan van Mandeville was nog populairder. Mandeville was een Engelse ridder, die in het begin van zijn reisverslag uitgebreid uitlegt wat hij te vertellen heeft:

Ik, Jan van Mandeville, ridder (hoewel ik dat niet waardig ben) en geboren en opgevoed in Engeland, in een stad die Saint Albans heet, ondernam deze tocht over zee in het jaar ons Heren 1322 op Sint Michielsdag. Ik ben lange tijd op zee geweest en ik heb rondgekeken en rondgereisd in vele landen, vele provincies, vele koninkrijken en diverse eilanden. Ik ben door Turkije getrokken, door groot en klein Armenië, door Tartarije, door Perzië, Syrië, Arabië, door boven en beneden Egypte, door Libië, door het grootste deel van Ethiopië, door Chaldea, Amazonië, door voor- midden- en achter-Indië. En ik ben bij allerlei volkeren geweest, met allerlei wetten, verschillend van wijsheid, van geloof en verschillend van lichaamsbouw en uiterlijk.

De wereld die Mandeville beschreef, was vreemd en opwindend, en zijn verslag werd in alle Europese talen vertaald. Pas eeuwen later bleek dat Mandeville een eersteklas bedrieger was. Hij had niet geschreven wat hij gezien had, maar een mooi verhaal gemaakt uit wat hij in allerlei geschriften was tegengekomen. Toch geeft hij juist daardoor een mooi beeld van de wereld zoals veel middeleeuwers die zelf zagen.

Hoewel Mandeville zelf niet zo ver had gereisd als hij beweerde, blijkt uit de belangstelling voor zijn werk dat mensen nieuwsgierig waren naar de wereld buiten hun eigen omgeving. Telkens werd geprobeerd daarvan iets te ontdekken. Columbus was de eerste die de oceaan overstak, maar dat was niet omdat eerdere zeevaarders bang waren van de aarde af te vallen, maar omdat hun schepen en navigatiemiddelen technisch nog tekort schoten. De technische vooruitgang maakte uiteindelijk de kennis van de wereld groter, en zo gaat het ook nu nog steeds.

Verder lezen
Dat de aarde rond is, wist men in de Middeleeuwen best wel. Op deze miniatuur wordt uitgebeeld dat wanneer twee mensen helemaal rondom de aarde zouden lopen, ze elkaar vanzelf weer tegen komen.
De kaart van de wereld, met daarboven God, en daaronder de hel. De wereldkaart is georiënteerd: het oosten is aan de bovenkant afgebeeld. In het midden zien we Jeruzalem, het centrum van de wereld. Duidelijk herkenbaar is ook de Rode Zee, de afscheiding tussen Egypte en het Heilige Land. Europa bevindt zich linksonder.
Jan Mandeville vaart in een bootje. Detail uit een wereldkaart in een handschrift met de Nederlandse vertaling van de Reis van Jan Mandeville.