literatuurgeschiedenis.nl | de middeleeuwen
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    

In de veertiende eeuw draagt de chirurg Thomas Scellinck zijn Boec van surgien op aan zijn beide kinderen Thomas jr. en Jan. Hij vraagt hun goed gebruik te maken van zijn dikke boekwerk, want hij heeft daarin alles verzameld uit andere belangrijke boeken. Bovendien heeft hij daartussen ook nog eens zijn eigen ervaringen opgeschreven. Ze moeten niet aarzelen er gebruik van te maken, vindt hij, want het is de basis van hun vak, het chirurg-zijn.

Onderwijs en artes
De Middeleeuwse literatuur bestaat niet alleen uit verzonnen verhalen, maar ook uit feitelijke kennis die onderwezen wordt op scholen en universiteiten. Een deel van die kennis is ook in het Nederlands opgeschreven.

Jan en Thomas jr. leerden een vak van hun vader, die een ervaren vakman was, en maakten gebruik van een praktisch handboek in het Nederlands. Zo ging het vaak in de Middeleeuwen. Voor wetenschap moest je elders zijn, namelijk aan de universiteiten. Lange tijd waren kloosters de belangrijkste Middeleeuwse ‘studiecentra’ maar vanaf de twaalfde eeuw ontstonden de eerste universiteiten in steden als Bologna, Parijs, Oxford en Cambridge. Het duurde nog tot 1425 voor studenten uit de Nederlanden dichter bij huis terecht konden. Toen namelijk werd de universiteit van Leuven gesticht. Wel waren er in verschillende steden stads- en kloosterscholen waar je een gedegen Latijnse opleiding kon volgen.

De universiteiten waren, samen met de kloosters, lange tijd de enige plekken waar een goede bibliotheek voorhanden was. Het waren meteen ook de plaatsen waar grote encyclopedieën gemaakt werden, waarin veel middeleeuwse kennis samengebracht was. Vertalingen daarvan, zoals Jacob van Maerlant ze maakte in het Nederlands, zorgden voor popularisering van die geleerde kennis. Zijn boek over de natuur (Der naturen bloeme) geeft bijvoorbeeld een goed beeld van de kennis op dat gebied in de dertiende eeuw.

Het onderwijs aan een middeleeuwse universiteit werd in het Latijn gegeven, zoals trouwens bijna alle geleerde kennis in die taal werd onderwezen en opgeschreven. De studie begon met een basisopleiding, de artes liberales, eventueel gevolgd door een hogere opleiding in de theologie, het recht of de medicijnen, die wel twintig jaar kon duren. Veel studenten volgden alleen de basisopleiding. Het was genoeg voor een goede functie in die tijd: je kon immers al lezen en schrijven, je kende goed Latijn en wist de weg in boeken, en daarmee had je een enorme voorsprong.

Vanaf de veertiende eeuw ontstonden her en der in de steden schooltjes waar je kon leren lezen en schrijven en waar je bovendien leerde rekenen. Het waren de basisvaardigheden voor handelaars en ambachtslieden. Zij konden het goed stellen zonder geleerdheid en het Latijn hadden ze al helemaal niet nodig. Maar lezen en schrijven en enige kennis van het Frans - de belangrijkste internationale taal in die tijd - kwamen goed van pas. Er zijn verschillende boekjes die bij dat onderwijs gebruikt werden. Het Boek van de ambachten uit Brugge is een van de bekendste voorbeelden.

Middeleeuws onderwijs was heel anders van opzet dan nu. Studenten en scholieren werden getraind om zoveel mogelijk letterlijk uit het hoofd te leren. Soms werden de teksten gedicteerd en opgeschreven, vaak samen met het commentaar van de meester, zodat er weer nieuwe teksten ontstonden. Het was dus hard werken voor de studenten: ze moesten luisteren en opletten en hun mond dichthouden, zoals de schrijver van een veertiende-eeuws leerdicht, de Mellibeus, zegt:

Sal die jonghere swighen stille
Ende sijn herte setten voert
Op die dinc die hi daer hoert.
[...] Scoliere die ter scolen gae
Ende niet en onthoudt dat hi verstaet
Hi slacht den sacke die heeft een gat
Die en onthoudt dit no dat.

Priesters, ambtenaren en juristen volgden een opleiding aan een Latijnse school of aan een universiteit. Maar vooral in de Vlaamse en Brabantse steden waren er allerlei gespecialiseerde beroepen, waarvoor heel specifieke kennis vereist was. De kennis die je voor de uitoefening van zo'n beroep nodig had, werd in de dagelijkse praktijk geleerd. Vaak ging dit van vader op zoon, zoals bij de chirurg Thomas Scellinck uit het begin van dit hoofdstuk. Vanaf de dertiende eeuw is steeds meer van die kennis opgeschreven. Dat gebeurde vaak in het Middelnederlands, want veel van deze schrijvers kenden geen Latijn of ze vonden het gewoon praktischer om hun moedertaal te gebruiken.

Deze teksten worden artesteksten genoemd. Het zijn werken die bedoeld waren om op een praktische manier informatie vast te leggen over de mens en over de wereld om hem heen. In tegenstelling tot de literaire werken wilden de schrijvers van artesteksten dus niet iets maken wat ze mooi vonden of iets waarvan ze dachten dat het anderen zou brengen tot religieuze inzichten. Verreweg de meeste van zulke teksten zijn dan ook in proza geschreven, en niet op rijm zoals bij veel andere Middelnederlandse literatuur.

De onderwerpen die je in dergelijk boeken tegenkomt zijn zo divers als het leven zelf. Zo zijn er woordenboeken, lesboeken over boekhouding, geschriften over sterrenkunde, astrologie, alchemie en architectuur, kookboekjes, boeken over de valkenjacht, de bijenteelt, en over land- en tuinbouw, allerlei medische traktaten over het spalken van gebroken ledematen, over vrouwengeneeskunde en over de invloed van planeten op de gezondheid, maar ook werken over krijgskunde, klokkengieten en muziek. En zo bestaat de Middelnederlandse literatuur niet alleen uit ridderverhalen maar ook uit boeken over de behandeling van steekwonden.

Verder lezen
Leraar onderwijst zijn leerlingen. De bijbelse koning Salomo afgebeeld in een middeleeuwse bijbel.
Een chirurg behandelt een beenwond op het slagveld. Miniatuur in een handschrift van de Bourgondische hertog Filips de Stoute.