literatuurgeschiedenis.nl | de middeleeuwen
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    

Hertog Jan van Brabant, die leefde in de dertiende eeuw, was een echte ridder: hij hield van vechten, hij was gek op vrouwen en hij maakte zonder moeite een liedje. Dat laatste lijkt vreemd voor een ridder, maar het kunnen maken en zingen van een lied hoorde er net zo goed bij als het bedreven zijn in vechten met zwaard en lans. Een ridder moest goede manieren kennen, en liederen maken was een daarvan. Jan van Brabant beheerste die kunst, zoals hij ook een uitstekende vechtersbaas was. Hoofse liefdesliederen schrijven was in de tijd van Jan van Brabant vooral een zaak van edelen: het was een verfijnde en elitaire kunst.

Zingen in de Middeleeuwen
Schrijven van liedjes was in het begin een elitaire adellijke bezigheid, maar zingen gebeurde door iedereen. Later gaan ook burgers liederen schrijven.

Ook gewone mensen hadden al eeuwenlang hun eigen liederen. Zingen is tenslotte iets van alle tijden. En die liederen gingen net zo goed over de liefde als de liederen van hertog Jan. Ze werden alleen niet opgeschreven en er is dus nauwelijks iets van bewaard gebleven.

Liedjes zijn bij uitstek teksten om uit je hoofd te leren en te zingen als je vrolijk bent of droevig of opstandig. Of gewoon om het samen gezellig te hebben. Dergelijke liederen gingen van mond tot mond en werden soms pas na eeuwen opgeschreven. Het Lied van Heer Halewijn is er een goed voorbeeld van. Ook het Hildebrandslied van rond 1500, over een oude veldheer die na dertig jaar naar huis wil terugkeren, is zo'n lied. Het verhaal dat in dit lied wordt verteld lijkt op het Oud-Duitse Hildebrandslied van 800 jaar eerder, al zijn er na zo'n lange tijd ook enorme verschillen ontstaan.

Pas uit het einde van de veertiende eeuw hebben we liederen die door burgers zijn geschreven. Ze staan bijvoorbeeld in het Brugse Gruuthuse-handschrift. Die burgers maakten liedjes als vrijetijdsbesteding en ze namen nogal wat over van de adellijke liedjes. Ze gebruikten dezelfde vormen en ze schreven over vergelijkbare onderwerpen: vooral over de liefde en dan nog het liefst over liefdesverdriet. Een mooie vorm was die van het vriendinnenlied (of met een oud woord: het ‘gespeelkenslied’). Hierin zijn meestal twee vriendinnen met elkaar in gesprek. De een is verdrietig omdat haar vriend ervandoor is, de ander biedt troost. Een goed voorbeeld is het lied Ic quam ghegaen up enen dach. Een van de vriendinnen vertelt over wat haar is overkomen:

‘Ghespele in caent gheswighen niet.
Nu wilt mijn over zwaer verdriet
In trauwen helpen helen.
Doe ic lesten van u sciet,
Doe addi mi allein bespiet
Ende ic ghinc mettem spelen.
Ghespele wilt beraden mi
So dat mijn here behouden zi,
Bi wizen rade.
Ic wane in comme hem nemmer bi.
Wat salic doen? owach, owi,
Het es te spade!’

In het vertrouwelijke gesprek van zo'n vriendinnenlied worden de mannen soms stevig bekritiseerd. Ze zijn niet te vertrouwen, willen niets liever dan een meisje haar maagdelijkheid ontnemen, en geven niet thuis als er een kind op komst is. Kortom: mannen zijn geile en onbetrouwbare schepsels.

Maar er zijn ook liefdesliederen waarin de jongen en het meisje het heel wat beter met elkaar kunnen vinden. Dat is het geval in veel ‘wachterliederen’. Dat zijn liedjes die zich afspelen in de nacht en de vroege morgen. Een verliefde jongen gaat op bezoek bij zijn vriendin en ze liggen samen te vrijen. Maar veel sneller dan ze dachten is de nacht voorbij. De wachter, die op een toren op de uitkijk staat, roept dat het licht wordt. De geliefden moeten afscheid nemen, omdat ze niet ontdekt willen worden. Een mooi voorbeeld is Het viel eens hemels douwe dat te vinden is in het Antwerps liedboek.

In de Middeleeuwen werd volop gezongen over van alles waarover we ook tegenwoordig nog zingen. Er zijn heel veel liefdesliedjes bewaard, maar de grootste groep zijn de geestelijke liederen. Daarbij zijn liederen over God en Maria en vooral ook heel veel kerstliedjes. Sommige daarvan worden ook in onze tijd met kerst nog gezongen, zoals het bekende Nu sijt wellekome Jesu lieven heer. Andere soorten liederen komen tegenwoordig niet meer voor: historieliederen zijn daarvan een voorbeeld. Het zijn liederen over een belangrijke gebeurtenis, bijvoorbeeld de dood van een prinses of een grote veldslag. Het historielied was een soort nieuwsbericht: door te zingen vertelde de zanger over het grote nieuws uit zijn eigen tijd of uit het verleden. Een heel bekend voorbeeld is het Historielied over Graaf Floris en Gerard van Velsen dat gaat over het verraad van en de moord op graaf Floris V. Het is eeuwenlang populair gebleven, waarschijnlijk omdat de moord op Floris nog jaren later hevige gevoelens opriep.

Middeleeuwse mensen zongen veel en graag. Een paar duizend van hun liedjes zijn nog overgebleven. Maar de meeste zijn verloren, veel zijn waarschijnlijk zelfs nooit opgeschreven. Na het zingen van de laatste toon was het over en uit.

Verder lezen
Drie muzikanten begeleiden zichzelf bij het zingen van een meilied.
Behalve op het slagveld, zoals hier te zien is, blonk hertog Jan I van Brabant ook uit als auteur van een aantal liedjes.
Titelpagina van Een Schoon Liedekens-Boeck dat in 1544 in Antwerpen werd gedrukt en daarom het Antwerps Liedboek wordt genoemd.