literatuurgeschiedenis.nl | de middeleeuwen

De bijbel is ongetwijfeld het belangrijkste boek van de Middeleeuwen. De bijbel is een verzameling van losse geschriften, de bijbelboeken, die over twee delen zijn verdeeld, het Oude en het Nieuwe Testament. Het Oude Testament begint met het boek Genesis, dat beschrijft hoe God de wereld en de mens geschapen heeft. Daarna volgen enkele tientallen zeer verschillende boeken, zoals kronieken en profetieën, maar ook lyrische teksten zoals de Psalmen of het Hooglied. Al deze boeken samen vertellen de geschiedenis van het joodse volk, dat door God is uitgekozen om de Messias voort te brengen. De Messias zal ooit komen om de wereld en de mensen te redden.

Het boek der boeken - over de bijbel

Het Nieuwe Testament gaat over de komst van die Messias: Jezus Christus, de zoon van God. Het opent met vier evangeliën . De vier evangelisten Matteüs, Marcus, Lucas en Johannes beschrijven ieder op hun eigen manier het leven en het sterven van Jezus. Verder bevat het Nieuwe Testament de geschiedenis van de apostelen, die als eersten het geloof in Jezus Christus predikten. Er zijn ook verschillende brieven van apostelen zoals Petrus en Paulus opgenomen. De bijbel besluit met de Openbaringen van Johannes (Apocalyps), waarin wordt beschreven hoe Christus ooit terug zal keren naar de aarde voor het Laatste Oordeel.

Volgens het christendom spreekt God via de bijbelse geschriften tot de mensen. Er wordt verteld waarom God de mens geschapen heeft. Ook wordt uitgelegd hoe de mens uit dankbaarheid tegenover zijn Schepper zou horen te leven. Maar de tekst van de bijbel is lang niet altijd even helder. Soms lijken de verschillende bijbelboeken elkaar zelfs tegen te spreken. Toch was men ervan overtuigd dat God één samenhangende betekenis aan de bijbel had meegegeven. De belangrijkste wetenschappelijke discipline in de Middeleeuwen was de theologie. Zij had tot taak om de verborgen betekenis van de bijbel te ontraadselen.

Ook al was de bijbel dan het Boek der Boeken, dat betekende niet dat iedere middeleeuwer dit boek ook kon lezen. De meeste mensen waren analfabeet en konden zelf dus niet lezen of schrijven. Maar ook als je kon lezen, was het niet gemakkelijk om de bijbel te begrijpen, omdat die eigenlijk alleen in het Latijn beschikbaar was. Alleen mensen die gestudeerd hadden en Latijn hadden geleerd, konden zelfstandig de bijbel lezen en begrijpen. De gewone mensen waren aangewezen op de priesters, die in hun preken vertelden over wat er in de bijbel stond.

Men zag wel in dat dit eigenlijk niet klopte, want Gods woord was toch bestemd voor alle mensen? Daarom werd er omstreeks 1250 voorzichtig begonnen met het vertalen van de bijbel in het Nederlands. Het begon met vertalingen van de evangeliën, want daarin stond immers het leven van Jezus beschreven. Jacob van Maerlant zette in zijn Rijmbijbel de bijbelse geschiedenis op rijm, maar liet ook veel bijbelboeken weg. Het duurde tot 1477 voor er een min of meer complete Nederlandse vertaling van het Oude Testament beschikbaar was, de Delftse bijbel. Maar dan zijn we al in het tijdperk van de boekdrukkunst aangeland. Voor de gewone gelovigen was er verder nog de Biblia pauperum, een boek waarin het bijbelverhaal in eenvoudige woorden wordt beschreven en met plaatjes wordt toegelicht. De opzet ervan doet wel een beetje denken aan de tegenwoordige kinderbijbels.

Verder lezen
De vier evangelisten worden ieder begeleid door een eigen symbool. Van boven naar beneden zien we hier Mattheus met een engel, Johannes met een adelaar, Marcus met een leeuw, en Lucas met een stier. Deze afbeelding markeert het begin van het levensverhaal van Jezus in de Rijmbijbel van Jacob van Maerlant. .